Een goed voorbeeld?

Hoe wil ik zijn? Welke keuzes maak ik? En hoe houd ik het vol?

GOED ZIJN en GOED DOEN: het kán

Wil ieder mens een goed mens zijn? Ik denk van wel. Ik hoop van wel. Ik geloof dat ieder mens idealen heeft en daarnaar zou willen leven. Ik wéét dat ik zelf niet kunnen leven zonder idealen. Voor de volledigheid: nee, ik denk niet dat het mij lukt. Tekortschieten hoort bij ons bestaan – dat is ons noodlot. Maar leven zonder in ieder geval te blijven probéren … ik moet er niet aan denken. De waarde zit in de worsteling.

Natuurlijk zijn er verschillen in idealen. Inspiratie kan komen uit een godsdienst, uit een ideologie, uit ervaringen, uit inspirerende voorbeelden of vertellingen. Ikzelf ben enthousiast over Jezus van Nazareth. Maar ik weet dat voor andere mensen de inspiratie ergens anders vandaan komt – daar gaat het niet over. Waar het over gaat, is wat je inspiratie met je doen: een goed mens willen zijn – een mens die andere mensen helpt, steunt, betekenis heeft voor hun ontwikkeling. De goede dingen willen doen – dingen die goed zijn voor mensen, voor de wereld, voor vrede. Een goed en zinvol leven willen leiden – verantwoording nemen voor je daden, consequenties onder ogen zien, dienstbaar en betekenisvol zijn. Proberen om ook andere mensen te helpen om een goed mens te zijn. Die keuzes bedoel ik.

Toch is het voor mij wel duidelijk: een ideaal is niet voldoende om ‘goed’ te blijven doen. Ik trap makkelijk in de valkuil van alledaags leven: bezig zijn met wat ík nodig heb, met mijn behoeften en mijn gemak. Wat we nodig hebben zijn voorbeelden. Mensen om ons heen die inspireren, die laten zien hoe de goede keuzes in de praktijk kunnen gaan. Hoe je het volhoudt, als het lastig wordt. Hoe je goed kiest als je omgeving dat niet doet.

VOORBEELDEN

Voorbeelden bepalen heel sterk hoe wij ons gedragen. Zowel positief als negatief. Positief inspireren ze, geven aan hoe goede keuzes gemaakt kunnen worden, hoe je kunt volhouden, hoe je sterk kunt zijn in het opbouwend omgaan met mensen. Negatief inspireren ze ook, in het acceptabel maken van egoïsme, grofheid, oneerlijkheid, hebzucht, ongeïnteresseerdheid en soms daadwerkelijke kwaadaardigheid.

De kracht van negatieve voorbeelden zien we overal. Pestende kinderen hebben het niet zelf verzonnen: ze zien hoe volwassenen omgaan met elkaar. Op social media imiteert iedereen alle anderen in een ratrace naar beneden. Kunt u de voorbeelden bedenken van mensen die misbruik normaliseren, die agressie goedpraten, die diefstal acceptabel maken, die liegen en bedriegen en bedreigen tot onderdeel maken van ‘normaal mens-zijn’? Voorbeelden zijn krachtig! Mensen die de voorbeelden geven moeten zich dat realiseren.

Positieve voorbeelden hebben dezelfde kracht. Ze zijn lastiger op te noemen, want ze halen niet het nieuws en daardoor lijken ze afwezig. Maar ze zijn er. Ook bij de lezers hiervan. Die positieve voorbeelden hebben we heel hard nodig. Voor onszelf, voor elkaar, voor onze wereld.

We mogen ons niet verbergen achter drogredenen als ‘kijk eens naar die-en-die, die doet het zo slecht’. Wij zijn verantwoordelijk voor onze eigen keuzen, de keuzes van anderen maakt onze eigen keuze niet anders.

Dus: zoek het voorbeeld dat u inspireert voor het goede en volg dat na.

En wees een voorbeeld dat inspireert voor het goede en maak een verschil voor anderen.

Het ga u allen goed!

Altijd maar groter?

Veel organisaties in de non-profit ervaren druk om voortdurend te werken aan schaalvergroting. Ik wil eens een paar van de drijfveren op een rijtje zetten. Let wel: ik pretendeer geen wetenschappelijke analyse, ik geef gewoon weer wat ik zie gebeuren. Meer anekdotisch, dus, dan academisch.

“Het is mijn overtuiging dat verlies aan maatschappelijke worteling uiteindelijk het noodzakelijke idealisme van de non-profitorganisatie ondergraaft en daarmee op lange termijn het bestaansrecht en de geloofwaardigheid aantast.”

Kwaliteit: schaalvergroting kan noodzakelijk zijn om kwaliteit te kunnen blijven borgen. Denk bijvoorbeeld aan ziekenhuizen die bij bepaalde ingrepen een noodzakelijk volume moeten realiseren om aan kwaliteitseisen te kunnen blijven voldoen. Dan kan het gaan om deskundigheid en noodzakelijke routine van medewerkers, het kan ook gaan om forse investeringen die nodig zijn en waarvoor volumes nodig zijn om voldoende bezettingsgraad te realiseren.

Eenzelfde soort druk speelt in het onderwijs bij bijvoorbeeld beroepsopleidingen waar voor stageplekken samenwerking met het bedrijfsleven noodzakelijk is en het aantal bedrijven dat hiervoor beschikbaar is beperkt blijft. In gemeentelijke organisaties kan het bijvoorbeeld gaan om voldoende inhoudelijke kennis in het ambtenarenapparaat te hebben voor het uitvoeren van allerlei beleid.

Efficiëntie: verantwoord omgaan met geld is natuurlijk noodzakelijk, zeker in de non-profit waar met geld van de maatschappij wordt gewerkt. ‘Zo goedkoop mogelijk’ wordt dan al snel ‘grootschalig’. Dat kan bijvoorbeeld gelden voor administratieve processen in de zorg en in onderwijs, voor inkoop van bijvoorbeeld ICT.

In onderwijs is voor sommige opleidingen het aantal aanmeldingen in een regio zo klein dat het organiseren van het onderwijs (te?) duur wordt – hier bevinden we ons natuurlijk al wel op een punt waar het niet expliciet om kwaliteit gaat maar om een keuze: wanneer wordt duur nu eigenlijk té duur?

Gezamenlijk inkopen is soms noodzakelijk om niet te worden uitgemolken door leveranciers – denk bijvoorbeeld aan schoolboeken in het funderend onderwijs. Marktmacht organiseren is dan essentieel – maar het gebruiken als argument voor schaalvergroting van de eigen organisatie is het als argument misbruiken.

En wat is er heerlijker om in een discussie met het ministerie over geld voor doelsubsidies het argument ‘er blijft teveel bij de besturen plakken en er komt te weinig op de scholen terecht’ te kunnen weerleggen met ‘mijn bestuur en mijn school zijn één – er blijft dus helemaal niets plakken’.

Belangen van managers : een niet te onderschatten factor bij schaalvergroting is de rol van de verantwoordelijken voor de beslissing. Hebben zij belang bij schaalvergroting? Soms wel degelijk: er kan direct financieel belang spelen, het inkomen van managers en bestuurders wordt direct bepaald door omvang van de organisatie. In onderwijs bijvoorbeeld door de omzet van de organisatie, het aantal verschillende opleidingen dat binnen de organisatie wordt verzorgd en het aantal gemeenten waarin het onderwijs wordt verzorgd.

Status kan belangrijk zijn. Tussen beroepsgenoten speelt de grootte van de organisatie en de verantwoordelijkheden vaak wel degelijk een rol in de sociale orde. En ook formeel: in bijvoorbeeld de VO-Raad wordt de kracht van een stem in formele besluitvorming bepaald door de omvang van de organisatie.

Een factor die mee kan spelen is de schaarste van (betaalbaar) (inhoudelijk) goed leiderschap op de arbeidsmarkt. Non-profit organisaties verzakelijken, idealisme en de wens de maatschappij te dienen worden vervangen door eisen aan zakelijkheid en ondernemerschap. In grotere onderwijsorganisaties worden in toenemende mate managers gezocht ‘zonder krijt aan de vingers’. Daarmee worden functies in het management ook minder aantrekkelijk voor opstroom in de eigen organisatie, raakt het management los van de werkvloer en wordt verzakelijking gestimuleerd. In dit klimaat worden in beslissingen over schaalvergroting de belangen van het primair proces minder sterk vertegenwoordigd en argumenten uit financiële en organisatie-management invalshoeken sterker.  

Maatschappelijke worteling: bij dit alles heeft schaalvergroting bij non-profitorganisaties één gigantisch nadeel dat onderbelicht kan blijven omdat het niet eenvoudig in cijfertjes wordt uitgedrukt. Cliënten (patiënten, leerlingen en ouders, inwoners van de regio, kleinschalige maatschappelijke organisaties) gaan zich minder verbonden voelen met de organisatie. Hij is minder ‘van ons’ en meer ‘van anderen’.

Datzelfde geldt voor medewerkers: identificatie met de organisatie wordt gecompliceerder. Het argument is dan dat je vaak het primaire proces nog wel lokaal kunt organiseren – maar dat neemt niet weg dat belangrijke strategische en financiële beslissingen ver weg worden genomen en dat de betrokkenheid van de werkvloer kleiner en meer op afstand is. En dat voelen medewerkers, hoe laag in de organisatie verantwoordelijkheden ook worden georganiseerd (om de managementbezwering maar te gebruiken).

Tenslotte geldt hetzelfde ook voor samenwerkingspartners. Als gesproken wordt met belangengroeperingen, met leden van een netwerk, met ketenpartners dan zitten er al snel veel partners aan tafel, uit veel regio’s, met veel verschillende belangen. Het proces wordt daar op het eerste gezicht gecompliceerder van – al zullen veel bestuurders als ze eerlijk zijn juist opmerken dat het hen veel meer ruimte geeft om te doen wat ze zelf willen met wat cherry-picking van argumenten en belangen.

Luiheid: misschien ben ik een beetje cynisch, maar volgens mij is schaalvergroting soms ook gewoon wel eens de makkelijkste weg – besturen via papier vervangt lastige inhoudelijk discussies door het management van processen. Je hoeft niet meer na te denken en je ook niet meer te verantwoorden over de kwaliteit in je eigen organisatie als je de ICT uitbesteed aan een centrale dienst met ‘service level agreements’. Het uitbesteden van schoonmaak op een school is veel makkelijker dan zelf je schoonmakers in dienst nemen: je hoeft geen personeelszorg te organiseren en als je eigen medewerkers klagen dat de schoonmaak niet op orde is dan kun je de verantwoordelijkheid afschuiven.

Inspraak in formele besluitvorming, formeel overleg met ketenpartners of gemeenten worden uit de organisatie gehaald. De personen aan tafel zijn vaak minder op de hoogte van de werkvloer, ambtelijker of abstracter betrokken, soms zelfs professionele vergadertijgers. Voor een bestuurder eenvoudiger om mee om te gaan – je informatievoorsprong wordt nóg groter dan die van nature al is, besluitvorming is ambtelijker en genomen besluiten kunnen in de organisatie nauwelijks meer worden besproken omdat de inspraak al heeft plaatsgevonden.

Keuzes

Volgens mij zijn er bij het zoeken naar goede kwaliteit en efficiëntie inderdaad soms geen andere mogelijkheden dan iets te doen met schaalvergroting. Dat betekent natuurlijk nog niet automatisch fusies. Allerlei vormen van regionale en bovenregionale samenwerking kunnen heel goed volledige fusies vervangen – en daarmee kan veel regionale borging bewaard blijven.

Schaalvergroting maakt besturen inderdaad soms (vaak?) wel makkelijker. We kunnen problemen opschalen en dan op abstracter niveau oplossen (wat dan vervolgens op de werkvloer lang niet altijd voor oplossingen voor de échte dagelijkse problemen zorgt). De goede aanpak zou zin om veel meer in onze afweging mee te nemen wat we aan maatschappelijke worteling kwijtraken. Of als er een weg terug zou zijn: wat we aan maatschappelijke worteling zouden kunnen terugwinnen door te beginnen met dé-fuseren.

Het is mijn overtuiging dat verlies aan maatschappelijke worteling uiteindelijk het noodzakelijke idealisme van de non-profitorganisatie ondergraaft en daarmee op lange termijn het bestaansrecht en de geloofwaardigheid aantast.

Ok, dit is dus toch uitgedraaid op een pleidooi voor zo kleinschalig mogelijke organisaties in de non-profit sector met zoveel mogelijk lokale worteling. In ieder geval hoop ik (en zal ik mij inzetten) om bij keuzes rond schaalvergroting het maatschappelijk perspectief voorop te zetten.

Charles van Wettum, februari 2022

Wat ons overkomt …

Ons overkomen dingen. Wat doen die dingen met ons? En is dat wat we willen?

Ons overkomen dingen. Maatschappelijke rampen, persoonlijk drama, sociaal en financieel, existentieel en in ons dagelijkse leven. Sommige rampen zijn gevolgen van collectief menselijk handelen. Dingen kunnen gebeuren in ons leven door menselijk falen. We moeten soms lijden onder kwaadaardige, onmachtige of incompetente medemensen. Soms is er geen menselijke verantwoordelijke aanwijsbaar, maar ook dan kan de ernst voor mij afhangen van beslissingen van mensen.

Wat ons overkomt, kan ons raken tot in het diepst van ons bestaan. Het kan onze geliefden bedreigen, onze eigen lichamelijke of psychische gezondheid, onze financiële of sociale veiligheid. Als die echte pijn of boosheid niet gezien wordt, dan komt dat er nog eens bovenop. Als er niemand verantwoordelijk of aansprakelijk is, dan wordt onze ervaring van machteloosheid alleen nog maar groter.

Ik heb meestal geen invloed op wat mij overkomt. Maar ik heb wel invloed op wat ik het met me laat doen. Me slachtoffer te voelen kan terecht zijn: feitelijk terecht – het ís gewoon zo; emotioneel terecht – het voelt gewoon zo. De zoektocht naar recht of herstel of wraak of voldoening is dan misschien zelfs goed voor me – dat moet iemand als slachtoffer zelf bepalen. De valkuil van slachtofferschap is dat het een deel van mijn persoon wordt, dat ik de regie over mijn eigen denken en voelen kwijt raakt. Dan doet wat me overkwam me nog extra kwaad.

Misschien zijn er inderdaad daders aan te wijzen: politiek of financieel, als pestkop of als incompetente arts, als roekeloos automobilist of als crimineel of op enige andere manier. Ik kan het die mensen ontzettend kwalijk nemen en daar kan ik groot gelijk in hebben. Maar als ik mij op hen focus en hen ga haten of beschimpen, dan verander ik mijzelf en niet hen. Ik verlaag mijzelf, ik ga zélf steeds meer lijken op wat ik in hen afkeur. Als ik hen ontmenselijk, ontmenselijk ik mijzelf.

Wij hebben meestal geen invloed op wat ons overkomt. We hebben wel invloed op wat we toelaten dat het met ons dóet. We kunnen ervoor kiezen zelf integer te blijven. Dan kan nog steeds verantwoordelijkheid worden benoemd en kunnen consequenties worden gezocht. Maar we hebben de keuze om zélf menselijk te blijven, inclusief de meest sterke menselijke eigenschappen als liefde, vriendelijkheid, oprechtheid, empathie, vergevingsgezindheid. Niemand kan die dingen van ons eisen, maar we kunnen er wel voor kiezen – en dat doen we dan niet voor voor anderen (daders, instellingen, of wie dan ook) maar voor onszelf.

Wat ons overkomt, is niet wat ons vormt – hoe wij ermee omgaan is wél wat ons vormt. Van mijn persoonlijke keuze zal afhangen hoe ik mij persoonlijk zal voelen en ontwikkelen. Van onze gezamenlijke keuzes hangt af wat de volgende generatie zal overkomen.

Om over zulke keuzes na te denken, heb je soms hulp nodig. Iemand die je niet voorkauwt wát je moet denken, maar je helpt je eigen gedachten op een rijtje te zetten. Misschien kan ik je helpen erover na te denken – bel of mail me dan voor een goed gesprek en misschien een zoektocht naar verdere hulp. Misschien spreek je liever iemand anders: bel die dan. Maar zorg ervoor dat je zelf regie neemt over je eigen leven.

Integer en vriendelijk leven

Dagelijks lezen we in het nieuws: berichten over fraude, onbetrouwbaarheid, misbruik, egoïsme. Het lijkt wel overal te spelen.

Door misbruik van macht raken mensen beschadigd. Kabinet en Tweede Kamer, uitvoeringsorganisaties, sportorganisaties, kerken, bedrijven … Wie trekt in de dagelijkse praktijk wanneer en waar de lijn?

Het beschadigen of bedreigen van mensen waarmee we het niet eens zijn gebeurt aan de lopende band. We ondergraven geloofwaardigheid in plaats van argumenteren, we schelden en bedreigen, we organiseren lastercampagnes. We ontmenselijken degenen die onze denkbeelden of onze belangen niet delen. Massaal en anoniem op social media, maar ook in toenemende mate publiek.

We zien bedrijven en organisaties en mensen die macht misbruiken. Belangen van anderen worden genegeerd, inclusief gezondheid en klimaat en financiële belangen. We zoeken grenzen op van wetten en regelingen, en ach, alles is toch toegestaan zolang je er mee wegkomt?

Leiders zijn cultuurdragers. Zij zetten de norm, voor mensen die inhoudelijk het met hen eens zijn én als definitie hoe burgerschap er uit moet zien. Dus mag je formulieren creatief invullen, belasting vermijden, de geest van regelgeving negeren als je een juridisch maasje hebt gevonden en sowieso regels overtreden zolang je de pakkans laag inschat. Waarom zou een burger zich correcter moeten gedragen dan de leiders?

En nu ….

Natuurlijk zijn er heel veel goede mensen. ‘Gewone’ Nederlanders komen met al hun geworstel om goed te zijn niet in het nieuws. De voorbeelden van gebrek aan wellevendheid wél – en daarmee zetten zij de toon. Maar ik ben vast niet de enige die het gevoel heeft dat die excessen normaler lijken te worden en het bijbehorende gedrag acceptabeler. Probéren we in onze maatschappij nog om moreel juist te handelen? Om integer te zijn, in plaats van te doen wat juridisch nog net juist is en waar je nog (net) mee weg kunt komen?

Ik weet het allemaal niet zo goed, eerlijk gezegd. Ik weet wél dat ik zelf graag integer wil leven. Vriendelijk. Vertrouwend en vergevend. Ik denk dat wij die keus hebben: op ons eigen plekje, in onze eigen werkomgeving met onze eigen verantwoordelijkheid – en dan ervoor kiezen om vanuit positieve intenties met integriteit met mensen en zaken om te gaan. In de hoop dat integriteit net zo besmettelijk kan zijn als zelfzucht.