Anderen: een nieuwe SF-bundel

Er komt een nieuwe SF-verhalenbundel van mijn hand. De titel van de bundel is ‘Anderen’. De covertekst zegt: Aliens. Anderen. Ze zijn de onbekende medebewoners van ons universum. Vreemd, onbegrijpelijk, en toch … Elke ontmoeting in deze verhalen zegt iets over onszelf, misschien is de Andere wel de plek waar wij onszelf tegenkomen.

Er staan ongeveer 25 korte verhalen in. Allemaal verschillende ‘soorten’ anderen. Verschillende vormen van ontmoeting met verschillen in impact en een grote variatie aan consequenties. Enkele van de verhalen zijn al eerder gepubliceerd in tijdschriften en op websites, twee verhalen zijn al sinds enige tijd als losse epub verkrijgbaar maar nu voor het eerst ook op papier. De helft van de verhalen is speciaal voor deze uitgave geschreven.

De bundel wordt verwacht rond 1 oktober 2024. Voorbestellen kan via de site van de auteur: http://www.wettum.org/bestellen

‘Anderen’: vijfentwintig SF-verhalen, ongeveer 360 pagina’s, ruim 90.000 woorden. Via de site 22 euro, inclusief verzendkosten binnen Nederland en België.

Uit het Voorwoord:

Dit is een verzameling van korte sciencefictionverhalen waarin Anderen een rol spelen: aliens, andere intelligenties, andere levensvormen. Hun levenswijze komt ons vreemd voor of misschien leven ze niet eens op een manier die wij kunnen begrijpen. Het intrigeert mij mateloos.

Alles in dit boek is fictie, een product van mijn fantasie. Ik geef toe: het wordt regelmatig erg onwaarschijnlijk. Als excuus daarvoor wil ik erop wijzen dat de werkelijkheid het ook nogal bont maakt. Ik was verbijsterd toen ik las over wat de op onze eigen Aarde levende parasiet Toxoplasma Gondii doet met muizen (ik heb daar dankbaar gebruik van gemaakt in een verhaal). De werkelijkheid onderstreept vaak wat de SF-schrijver Isaac Asimov schreef: ‘Your idea is unorthodox, but not unorthodox enough to be true’.

Wereldbouw en de constructie van levensvormen is boeiend, maar niet het doel van mijn verhalen. Frederick Pohl zei ooit: ‘A good science fiction story should be able to predict not the automobile but the traffic jam’. Ik trek het zelf graag nog door: sciencefiction gaat niet over auto’s en ook niet over files, maar over de mensen die in de file staan. Toegepast: een verhaal over Anderen gaat óók over onszelf. Het is een manier om na te denken over menselijkheid, over betekenis van het individu en de soort, over verantwoordelijkheden en mogelijkheden en grenzen.

Uit het verhaal ‘Burengerucht’:

‘Kijk nu toch eens. Daar, in de lucht. Dat lijkt wel een ufo.’ Wilma wijst door de voorruit naar boven. Er is blijkbaar iets aan de hand, maar Fred kan haar niet verstaan. De radio staat op 100%NL en het volume op 24. Je kunt pas van muziek genieten wanneer je de bas in je buik voelt, zegt hij altijd. ‘Daar. Kijk dan. Het is écht een ufo. Of nee, het zijn er wel drie of zo.’

Fred buigt zich voorover om door de voorruit naar boven te kunnen kijken. Hij ziet iets, maar wat het precies is … Wat hij hoort, herkent hij wel: het gepiep van banden die donkere sporen rubber op het asfalt van de Zeelandbrug trekken. Er klinken klappen van staal op staal, hij hoort het gekrijs van verfrommelende veiligheidskooien en het geknetter van versplinterende kunststof.

Een absurd boek met cirkelredenering

De puber

Nog nooit heb ik zoiets meegemaakt: dit is een boek waarvan ik het met de conclusies eigenlijk wel eens ben, maar waarvan ik de manier van redeneren tegelijk zo irritant vind, dat ik zou willen dat ik het er niet mee eens was.

Counet legt zijn vinger op een belangrijk punt waar de wetenschap ook volgens mij de fout in gaat, namelijk dat natuurwetenschappen zouden gaan over ‘het wezen’ van de werkelijkheid. Die arrogantie hebben sommige wetenschappers inderdaad, ze menen iets zinnigs te zeggen over absolute waarheden. Counet geeft er duidelijke voorbeelden van en hij brandt de pretentie vakkundig af. Tegelijk maakt hij zich schuldig aan diezelfde hoogmoed. Zijn instrumentarium is niet natuurkunde, maar logica en filosofie. Hij gebruikt zijn taal- en logica- en redenerings- en ‘gezond verstand’-spelletjes om een onfeilbare meetlat te maken.

Counet beschrijft een scène uit zijn jeugd: hoe hij als puber een docent natuurkunde gek wist te maken door maar door te gaan met lastige vragen. In die scène – die natuurlijk ook niet de werkelijkheid is, maar de manier waarop Counet heeft besloten zich die gebeurtenis te herinneren, een niet onbelangrijk verschil! – zie ik een zeer intelligente en arrogante puber die zonder enige zelfreflectie of zelfrelativering iemand anders meedogenloos in stukjes hakt en daar trots op is. Ach, die pubers, je mag het hen niet al te zeer kwalijk nemen.

Ik ken de auteur niet. Zijn carrière ziet er indrukwekkend uit en de literatuurlijst bij dit boek is indrukwekkend. Maar eerlijk gezegd: in dit boek herken ik niet de integere, naar de waarheid zoekende wetenschapper, maar wél de tegen alles schoppende puber die niets anders ziet dan zijn eigen, absolute, grenzeloze, niet te nuanceren of te bespreken gelijk.

Natuurkunde is instrumenteel

Tijdens mijn eerste college ‘Fenomenologie van elementaire deeltjes’ vertelde de docent: ‘Wij weten niet wat een elektron werkelijk ís. Dat is natuurwetenschappelijk ook niet interessant: we vragen ons af hoe het zich gedraagt. Wij maken een model van het elektron en dat model helpt ons te begrijpen welke uitkomsten de experimenten hebben waarin het elektron een rol speelt. Als wij vervolgens zeggen: het elektron is een deeltje met een negatieve lading , dan is dat niet stiekem een uitspraak over de essentie van de werkelijkheid, maar een uitspraak over het model dat wij hebben gemaakt.’

Het is duidelijk dat (sommige? veel? alle?) natuurwetenschappers in het bedrijven van hun vak die bescheidenheid wel eens kwijtraken. Misschien menen ze zelfs wel oprecht dat ze inderdaad iets wezenlijks zeggen over het diepste wezen van onze werkelijkheid – het idee verschijnt in ieder geval als spektakelkop boven interviews en in mooie titels van populariserende boeken. Het is nodig voor de marketing en vermoedelijk zullen net als bij andere commerciële uitingen de auteurs het (soms? vaak? altijd?) zelf geloven – een absurd misverstand. Het niet-wetenschappelijk publiek neemt ondertussen het idee graag over: er wordt immers ‘bewezen’ dat God niet bestaat, dat het heelal met een explosie begonnen is, en zoveel andere dingen. De arrogantie van de wetenschapper is maatschappelijk welkom, het voorziet in een behoefte bij de lezers en de fysicus wordt op het schild gehesen.

Misschien ligt een deel van de oorzaak in het gebruik van woorden. Bij Counet betekent ‘waarheid’ de diepe, absolute grond – hij zegt letterlijk dat hij in niets anders is geïnteresseerd. Fysici die op zoek zijn naar waarheid, bedoelen daarmee – tenminste: wanneer ze noodzakelijke bescheidenheid kunnen vasthouden – dat ze de beste beschrijving zoeken voor het gedrag van de werkelijkheid. Degenen die pretenderen in natuurwetenschappen ‘waarheid’ te gaan vinden in Counets zeer veeleisende definitie van ‘absolute kennis’, gaan daarmee hun bevoegdheden te buiten. En ja: dat gebeurt.

Counet heeft gelijk als hij constateert dat de natuurwetenschap in onze wereld beheerder van de waarheid is geworden. Hij signaleert terecht dat dit een kortzichtige visie op de werkelijkheid is, die geen recht doet aan wezenlijke onderliggende vragen, zoals die naar het eerste begin en naar de dragende grond.

De methodiek

Aan de basiseis voor het met iemand oneens zijn – namelijk dat je zijn standpunten eerlijk weergeeft – voldoet Counet nauwelijks. Het is niet moeilijk: je doet wat aan cherrypicken, je geeft redeneringen eenzijdig weer, je citeert de meest nuttige quotes, je beschrijft (opzettelijk of onopzettelijk) fout of onduidelijk, je sneert een beetje en voilà: het slachten kan beginnen. In de tweede helft van zijn boek wordt dat nog eenvoudiger: hij heeft het dan over theoretische ontwikkelingen in de laatste decennia en geeft veel aandacht aan het boek ‘Het ontstaan van de tijd’ van Thomas Hertog. Hertog houdt zich bezig met theorievorming op de rand van wat we weten (en zeker ook over die rand heen). De ideeën van Hertog zijn extreem speculatief, er worden vrijwel geen op dit moment toetsbare uitspraken gedaan. Dat leent zich dus uitstekend voor het labelen van alles met absurd en onverteerbaar. Wat mij betreft: prima!

Ik durf niet te voorspellen of er uit de theorieën ooit riskante en meetbare voorspellingen zullen spruiten. Zolang ze niet toetsbaar kunnen worden gemaakt, liggen de speculaties op de plank. En als ze dat wél worden: in het verleden zijn er vaak nieuwe jonge honden nodig geweest om extreem speculatieve ideeën te vertalen in meetbare voorspellingen. De meeste theorieën zijn na zulke toetsing gesneuveld en het is heel goed mogelijk dat dit lot ook voor de gedachten van Thomas Hertog is weggelegd. Methodologisch is dat geen probleem: roep maar, leidt toetsbare voorspellingen af en toets. Meten is weten. Zoals de SF-meester Asimov schreef: uw idee is onorthodox, maar niet onorthodox genoeg om waar te kunnen zijn.

Een advies: statistisch zullen de meeste speculatieve ideeën bij nadere beschouwing of bij toetsing ten onder gaan. Ik adviseer dus iedereen langs de zijlijn om bij alles te verkondigen dat het onzin is en absurd – u zult achteraf in de meeste gevallen gelijk hebben en dat is een prettig gevoel. Verder betekent uw opinie niets.

Boerenverstand

De auteur definieert: wat onze geest niet kan bevatten, noemen we absurd (en onverteerbaar) (pg 33). Hij gebruikt het woord ‘absurd’ in verschillende betekenissen en hij gebruikt die door elkaar: 1) onmogelijk of paradoxaal volgens menselijke logica, 2) niet passend bij onze intuïtie, 3) onacceptabel voor een gezond denkend mens. Wiskunde en Natuurkunde in die zin absurd noemen, lijkt mij heel acceptabel: er vindt grote abstrahering plaats en daarmee is het gepresenteerde niet echt. Er is in de moderne natuurkunde veel dat niet past bij onze dagelijkse belevingswereld. Het is niet logisch, niet intuïtief, ik vind absurd een prima term.

Ons nuchtere boerenverstand en onze intuïtie en zelfs onze logica zijn gevormd in een klein stukje van de werkelijkheid. Wij hebben geen dagelijkse ervaringen met ontzettend grote dingen (in de orde van sterrenstelsels) of ontzettend kleine dingen (in de orde van atomen). Ook niet met ontzettend snelle dingen (in de orde van de lichtsnelheid) of ontzettend langzame dingen (in de orde van temperaturen dicht bij het absolute nulpunt). Moet het ons verbazen dat in de delen van de werkelijkheid waarin wij geen dagelijkse ervaringen hebben, het gedrag van de werkelijkheid niet bij onze intuïtie past? Het absurd noemen, is logisch (pun intended) – zolang we ons maar realiseren dat dit geen diskwalificatie is: het absurde kan heel goed een uitstekende manier zijn om (delen van) de werkelijkheid te beschrijven. Of om het in de verkorte terminologie te zetten: het kan heel goed waar zijn – waarbij ‘waar’ dus niet betekent: ‘het is de diepste essentie van de werkelijkheid’, maar: ‘het is een correcte voorspeller van waarnemingen’.

Zijn de eigenschappen van bijvoorbeeld relativiteitstheorie en kwantumtheorie absurd? Jazeker, ze passen niet bij onze intuïtie, net zomin als die van zwaartekracht, elektromagnetisme, gastheorie. Het betekent dat wij ons er geen voorstelling van kunnen maken en dat onze dagelijkse ervaringen geen of verkeerde vooronderstellingen opleveren. Zijn de modellen onverteerbaar? Counet vindt van wel: ‘het gewone gezonde verstand zegt dat dit niet kan en absurd is’ (pg 87 en vergelijkbare uitspraken op vele andere plekken).

Het idee dat het voor het gedrag van de werkelijkheid van belang is dat een beschrijving door meneer Counet (of anderen) verteerd kan worden, is natuurlijk een misvatting. Net zomin als de aarde het middelpunt van het heelal is, is het intellect van de mens dat, of van een individueel mens. In zijn eis van verteerbaarheid maakt deze theoloog zichzelf, zijn maagdarmstelsel, zijn voorstellingsvermogen tot de norm van de werkelijkheid. Het is dezelfde arrogantie als die van zijn slachtoffers.

Model en werkelijkheid

Counet heeft gelijk als hij natuurwetenschappers verwijt dat zij net doen alsof zij ‘de waarheid’ vinden. Want het is waar: veel wetenschappers zijn de bij hun vak behorende bescheidenheid verloren. Ze (h)erkennen (soms? vaak?) niet meer dat wiskunde en astronomie en natuurkunde een instrument zijn om het gedrag van de werkelijkheid te beschrijven: zij verwarren de beschrijving van gedrag met ‘het zijn’.

Ik denk dat Counet ook gelijk heeft, wanneer hij signaleert dat de drijfveer daarachter is dat zij iets hogers willen uitbannen. Het hogere is de ‘onnodige hypothese’. Als je een Big Bang hebt, is de ‘onbewogen beweger’ niet meer nodig. Counet wijst terecht op het feit dat door deze inhoudelijke vooringenomenheid het probleem niet wordt opgelost, maar alleen maar verschoven. Overigens moet je als kritisch filosoof wel uitkijken hoe je de kritiek aanvliegt. Niet de vraag ‘wat is er dan ontploft’ is de goede vraag – dat is binnen de fysica wél een goede vraag, want je verzoekt om een modellenbouwend antwoord (dat er overigens ook is, de geïnteresseeerde lezer kan zelf het probleemloos opzoeken): er is helemaal niets ontploft, er is helemaal geen moment t=0, er is helemaal geen oeratoom geweest. De goede aanvlieg route (en die gebruikt de auteur gelukkig af en toe) is de vraag naar de bestaansgrond waarin de gebeurtenissen plaatsvinden: de werkelijkheid achter/ onder de gedragingen die we waarnemen. ‘De God die de bliksem aanstuurt’ is achter meteorologische modellen verdwenen, en Hawkings cs zoeken naar manieren om elke mogelijke rol van een natuurwetenschappelijk niet te onderzoeken ‘hoger’ uit te bannen. Counet heeft een wezenlijk punt wanneer hij de onmogelijkheid daarvan bespreekt. Hij omzeilt daarbij deskundig de valkuil van de ‘God van de gaten’ en stelt de echte, belangrijke en fundamentele vragen die elke fysicus tot de erkenning zouden moeten brengen dat zij niet gaan over ‘het werkelijke’, ‘de waarheid’, ‘de diepste werkelijkheid’, maar alleen over het modelleerbare en het meetbare gedrag ervan.

Binnen die beperking doen natuurwetenschappen wel degelijk uitspraken over wat werkt, wat ‘waar’ is. Er zijn absurde ideeën en modellen (puntdeeltjes, singulariteiten, golfvergelijkingen, zwarte gaten, strings en eigenlijk alles), maar ondanks dat ze contra-intuïtief of onverteerbaar zijn, kunnen ze wel degelijk een betekenisvol onderdeel zijn van de beschrijving van de werkelijkheid. Er zijn in het verleden veel fysici met absurde ideeën geweest die gelijk bleken te hebben, d.w.z.: waarvan de ideeën een grote verklarende en voorspellende waarde bleken te hebben. Goed uitgevoerde waarnemingen (meten is weten!) bleken uit te wijzen dat hun theorieën een betere beschrijving gaven dan alles wat daarvoor bestond. De modellen die zijn voortgekomen uit ‘het gezonde verstand’, ‘de menselijke intuïtie en daarop gebaseerde logica’ of de theologische wijsheid bleken vaak maar een hele beperkte praktische toepasbaarheid te hebben en waren soms al direct fout (wat betekent: ze waren niet of niet goed bruikbaar in de beschrijving en voorspelling van waarnemingen).

Meetbaarheid

Counet maakt nogal een punt van het feit dat kwantummechanica en eigenlijk alle andere natuurwetenschappelijke theorieën elementen bevatten die alleen indirect aan toetsing onderworpen kunnen worden. Ja, dat is waar. En nee: het maakt die modellen niet minder bruikbaar. Totdat er metingen gedaan worden die niet passen (en die zijn het mooist, zoals ook Popper benadrukte!) is een goed model een voorspeller voor het gedrag binnen de randvoorwaarden die voor dat model gelden. Wanneer de metingen niet meer passen, volgen aanpassingen die kunnen variëren van kleine ingrepen tot paradigmawijzigingen.

Een tweede punt dat Counet benadrukt, is dat de geldende theorie (voor een groot deel) bepaalt welke experimenten er gedaan worden, welke vragen er gesteld worden en dus ook welke antwoorden er worden gevonden: de confirmation bias. Dat is natuurlijk voor een deel waar – er is veel literatuur over. Maar de andere kant is er ook: de geschiedenis is vol van metingen die onverwacht waren, die theorieën op hun fundamenten hebben doen schudden of zelfs rechtstreeks naar de vuilnisbak hebben verwezen. De werkelijkheid laat zich niet door vooringenomen fysici naar de hand zetten en eigenwijze, met hun modellen vergroeide theoretici zijn al heel vaak door toetsing naar de coulissen verwezen. De door de schrijver genoemde steady state theorie is daarvan een voorbeeld – en tegelijk een voorbeeld van een theorie die telkens weer wordt opgegraven, een nieuw impuls krijgt met aanhangers die nieuwe mogelijkheden zoeken, die zo de mainstream theorieën uitdagen en hun vakcollega’s permanent scherp houden. Zo hoort het!

Modellen

Counets weergave van theorieën, modellen en de rol daarin van wiskunde is regelmatig eenzijdig en daardoor af en toe misleidend. Wat hij systematisch verwaarloost, is dat het hart (en de enige waarde) van theorieën en modellen is om de bekende waarnemingen te verklaren én riskante voorspellingen te doen. Juist die riskante voorspellingen maken een theorie toetsbaar en zullen na meting daarvan kunnen aangeven of een theorie een betere beschrijving van de werkelijkheid is dan de vorige, of juist niet.

De gravitatietheorie van Newton was voor de bewegingen van de planeten zeer geschikt: zij bleken met de formules uitstekend te beschrijven en te voorspellen. Er was één uitzondering: de baan van Mercurius had een binnen het model van Newton onbegrijpelijke afwijking. De speciale relativiteitstheorie van Einstein verklaarde niet alleen alle ‘oude’ verschijnselen die ook Newton beschreef, maar bleek bovendien ook een goede uitkomst voor Mercurius te leveren. Dit is een aanwijzing dat die laatste theorie een meer algemeen geldende beschrijving van de werkelijkheid geeft. Hoe meer riskante voorspellingen een theorie doet, hoe meer moeilijke fenomenen het model beschrijft, des te beter beschrijft hij blijkbaar de werkelijkheid. Totdat er nieuwe metingen worden gevonden, die niet passen. Zij vormen de uitdaging voor een verdere verfijning, of misschien zelfs voor een complete vernieuwing.

Symbool en diepste waarheid

In de modellenbouw wordt wiskunde als instrument gebruikt. De auteur heeft daar wel iets over te melden.

Dat het getal ‘nul’ in de wiskunde een rol in speelt, is geen diskwalificatie omdat filosofen fundamentele moeite hebben met ‘niets’: een schroevendraaier is niet gediskwalificeerd omdat hij bij een breikransje onbruikbaar is. Dat het getal ‘i’ een rol speelt in modellen, wordt niet belachelijk doordat er geen reële betekenis van is. Dat ‘1’ en ‘2’ net als ‘0’ abstracties zijn en dat ‘plus’ een afspraak is, maakt wiskunde niet minder bruikbaar om in de modellen berekeningen te maken. Counet constateert dat ze ‘het contact met de werkelijkheid zijn kwijtgeraakt’, ‘fremdkörper’ worden en dat dit ‘vernietigend’ is (bijv pg 114). Ja, het idee dat meten belangrijk is om te weten is volgens de auteur door kwantummechanica zelfs ‘weggevaagd’. Zijn verhaal is een (volgens mij onverteerdbare) verabsolutering van een filosofisch discours – de dogmatische theoloog, maar dan zonder God. En meten weggevaagd? Tja, als je langs de rijksweg staat zonder benzine, dan piep je toch wel even anders: het meten van het brandstofniveau betekende misschien toch wel iets.

Counet hamert erop: de natuurkunde zegt wel iets, maar het ‘is’ ten diepste niks. Daar heeft hij in zijn eigen stiekem overal toegepaste absolute zin gelijk in. Sterker nog: het geldt niet alleen voor de natuurwetenschappen, maar voor alles. ‘Rood’ is een naam voor iets dat niet bestaat: we ervaren iets en we noemen het iets maar wat het ten diepste ís, blijft verborgen. Het woord ‘tafel’ is een abstractie voor een absurde hoeveelheid objecten die allemaal verschillend zijn. Categoriseren is (zegt Counet) de werkelijkheid ontkennen, net als tellen en benoemen. Het proces van ‘zien’ ontkent de meeste eigenschappen van het object en reduceert het tot een enkele eigenschap die toevallig in dat proces betrokken is. Dat klopt natuurlijk: alles wat wij zien of horen of denken of zeggen, is abstractie. Elk woord en elke gedachte is een onverteerbare, toelaatbare simplificatie, en dat geldt vanzelfsprekend ook voor wiskunde. Uiteindelijk is in de filosofische race naar de bodem die de auteur onderneemt niets nog iets: alles is onkenbaar, alles is absurd, inclusief de theoloog en zijn betoog. En de lezer. Fijn zo.

Ook in mijn eigen puberteit heb ik deze denkroute gemaakt, ik herken dus de auteur. Over het wezen van de dingen kunnen we op deze manier heerlijk vrijblijvend filosoferen, het is een echte puberale hobby. Na een tijdje ronddolen in het solipsisme heb ik voor mezelf de conclusie getrokken waarmee ikzelf goed kan leven: er is een grond nodig, iets waarin de waarneembare en beredeneerbare werkelijkheid wortelt. ‘Uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen, en alle dingen hebben hun bestaan in Hem’. In relatie tot Jh1:1 mag het van mij ook zijn: ‘Uit Het en door Het …’. Daar gaat het volgens mij precies over wat de auteur benoemt: de ruimte waarin onze werkelijkheid bestaat en die zich onttrekt aan onze theorievorming.

Maar zoals mijn docent Fenomenologie al vertelde: dat is niet waar natuurwetenschap het over heeft – zelfs niet als grote namen pretenderen God te willen begrijpen, of uit te bannen, of te worden. De fysica beschrijft het gedrag van de dingen en dat doet zij met inzet van haar instrumenten: modellen, theorieën en wiskunde. De kwaliteit van theorieën meet zij aan de verklarende en voorspellende waarde voor waarnemingen. Zij gaat niet voor ‘de hoogliggende lat van absolute kennis’ (citaat van pg 199). Dat geldt zelfs voor de wetenschappers die in hun natte dromen hopen op ‘Theorie van Alles’, want ook dan gaat het om een theorie die alles modelmatig verklaart en niet om ‘absolute kennis’ zoals Counet die als norm voor enig weten oplegt.

Die metafysische absoluutheid is (en de auteur definieert het natuurlijk opzettelijk zo!) aan enige menselijk denkwerk niet gegeven, noch in de natuurwetenschap, noch in de filosofie of theologie. Ik denk dat ik van Counet snap, dat hij tot diezelfde conclusie komt – volgens mij is dat ook onontkoombaar. Mijn idee daarbij: de conclusie dat alles absurd is, volgt onontkoombaar uit de door de auteur gebruikte definitie van ‘absolute kennis’. Zijn hele boek is een cirkelredenering.

Daarnaast: wanneer hij in het kader van zelfreflectie zijn maatlat had toegepast op zijn eigen de absolute kennis, dan zou hij tot de conclusie moeten zijn gekomen dat : 1) alles wat hij over de absurditeit van wiskunde zegt, ook geldt voor zijn eigen begrippen waarheid en kennis; 2) alles wat hij zegt over de idiotie van t=0 in het kader van de Big Bang, ook geldt voor zijn eigen begrip absoluut, en 3) dat zijn veronderstelling van het bestaan van iets dergelijk minstens even speculatief is als alles rondom zwarte gaten, strings en parallelle universa.

Ondanks het voorgaande: Counet ontmaskert de arrogante pretenties van natuurwetenschappers die hun grenzen te buiten gaan. Hij gooit mijns inziens met het badwater het kind weg: de kracht waarmee natuurwetenschap het gedrag van de werkelijkheid beschrijft en voorspelt. ‘Meten is weten’ betekent niet ‘absolute kennis verzamelen’, zoals hij abusievelijk lijkt aan te nemen, maar ‘de verklarende kracht van theorieën ondersteunen’. Als Counet dat niet leuk vindt, absurd en onverteerbaar: prima. Zoals zijn docent tegen hem gezegd zal hebben: ‘Ga lekker op je stoel zitten en geniet in je eentje van je gelijk’.

Abstraheren

Counet maakt nogal een punt van het punt (pun intended): geen lengte, geen breedte, geen hoogte. Hij constateert dat het niet bestaat (dat klopt) en dat het dus absurd is (dat is een kwestie van definitie) en dat het absurd is om er iets mee te doen (dat klopt niet). Elke docent natuurkunde op de middelbare school legt dat uit: de puntmassa is een abstractie. Het bestaat niet, maar we hebben ontdekt dat we sommige verschijnselen netjes kunnen uitrekenen (en dus voorspellen) als we aannemen dat alle massa in één punt verzameld is. Niet-bestaand maar toch nuttig: met biljartballen en planeten werkt het goed.

Wanneer je het vraagstuk ingewikkelder maakt, dan voldoet de vereenvoudiging niet (meer). Banen van biljartballen gaan prima, zolang de tafel horizontaal staat en je abstraheert van wrijving en het effect dat de biljarter meegeeft. Wil je die elementen ook beschrijven, dan wordt het model gecompliceerder. Je kiest een model dat past bij de vraag die je stelt. En dan krijg je uit het model niet ‘de diepste werkelijkheid’, maar wel de banen die de biljardballen beschrijven. Elementary, my dear Watson.

Op een hoger abstractieniveau doen de topwetenschappers hetzelfde, bijvoorbeeld Feijnman met zijn methodiek voor het doorrekenen van kwantuminteracties. Hij kreeg de Nobelprijs voor het ontwikkelen van een werkend instrument voor een zeer ingewikkeld probleem, niet – zoals Counet puberaal vals opmerkt – ‘de Nobelprijs voor de fantasie’. En ja: het werkend instrument is in staat om gemeten verschijnselen beter te verklaren. Het is daarmee niet ‘een absolute, diepe waarheid’, maar wel functioneel.

Zwarte gaten

Eenzelfde aanpak heeft Counet voor zwarte gaten, in zijn visie het toppunt van absurditeit. En alweer: jazeker, ze zijn contra-intuïtief, onlogisch, absurd, in strijd met gezond boerenverstand. De grens van wat we kunnen beschrijven, is het ideale speelveld voor mensen met veel fantasie, veel kennis van zaken, veel creativiteit en veel kennis van het wiskundige gereedschap om speculatie te vertalen in modellen en daaruit meetbare voorspellingen te destilleren.

Zwarte gaten werden voorspeld door de relativiteitstheorie van Einstein. Hijzelf had die absurde optie er nog niet in gezien, maar jongelingen die er wiskundig mee aan het werk gingen, ontdekten dat het bestaan van zwarte gaten er wiskundig rechtstreeks uit volgt. Ziedaar: dat was een echte, bloedlinke voorspelling! Als die zwarte gaten gevonden zouden kunnen worden, zou dat een enorme ondersteuning zijn voor de theorie. Als ze er niet zouden zijn, zou de theorie meteen de vuilnisbak in kunnen.

Ze zijn er. Counet meldt meermalen dat ze niet zijn waargenomen. Ach, die puber. Nee, niemand heeft op het randje gestaan en een steen naar beneden gegooid en dat zal ook nooit gebeuren. Echter: riskante voorspelling 1) de effecten die zwarte gaten volgens de modellen op licht zouden moeten hebben, zijn massaal waargenomen (bijvoorbeeld in gravitatielenzen). En riskante voorspelling 2) de effecten die ze hebben op lichamen die eromheen cirkelen zijn waargenomen. En riskante voorspelling 3) de eerste foto’s zijn genomen en de lichtverdeling daarop lijkt behoorlijk op wat de modellen voorspelden. Is dat sluitend bewijs? Nee. Bewijs bestaat er Popperiaans niet. Maar wat met de aanname van hun bestaan werd voorspeld, wordt waargenomen. De modellen functioneren tot op dit moment netjes.

Bestaan zwarte gaten dus? Ah, {ironie aan} geef me even een definitie van ‘bestaan’ {ironie uit}: ze verklaren waarnemingen. Daarnaast: elke speculatie voor alternatieve verklaringen is van harte welkom en veel nieuwsgierige jonge honden zijn op zoek naar de grenzen van de geldigheid van de huidige theorieën. Iedereen is benieuwd naar de komende ontwikkelingen.

Merkwaardig genoeg vindt Counet het nodig om in dit boek een alternatief voor te dragen voor zwarte gaten, terwijl zij niet het onderwerp van zijn boek zijn en waarachtig niet zijn sterkste argument. Zijn alternatief is de annihilatietheorie (pg 223). Ik ga daar niet op in, maar de veronderstelling dat er een alternatief is waar niemand serieus naar gekeken heeft en dat er een soort consensus bestaat om die te negeren (complottheorietje!) is voor het boek geen aanbeveling. Want eerlijk is eerlijk: wetenschappers zijn dol op alternatieve verklaringen, op concurrerende modellen, op het vinden van metingen die niet verklaard kunnen worden, op het aandragen van suggesties die niet binnen de gebaande paden vallen. Ze weten heel goed dat juist daar de vooruitgang ligt, dat daar de opvallende artikelen over kunnen worden geschreven, dat daar financiering gevonden kan worden, en dat uiteindelijk daar Nobelprijzen gewonnen worden.

Concurrentie tussen theorieën past binnen een soort evolutietheorie: de sterkste overleven, totdat ze een sterkere tegenkomen. Bij de eerste tegenvallers zullen wetenschappers oplossingen binnen een model zoeken, en (min of meer? soms? vaak?) ook vinden. Als de toetsingen aan metingen te grote problemen opleveren, komen er nieuwe aanpakken en als het nodig is, paradigmaverschuivingen.

Een reflectiemomentje zou hier wel nuttig zijn geweest: de door de auteur aangedragen annihilatietheorie leidt onder precies dezelfde tekortkomingen die hij aan bijvoorbeeld de zwarte gaten toeschrijft. Zo is de ontaarde materie die bij hem een centrale rol speelt net zomin ‘gezien’ als zwarte gaten. Het is een absurde theorie – en dat is dus geen diskwalificatie. Laat de theorie zichzelf maar bewijzen door gedane waarnemingen te verklaren en vervolgens te komen met riskante toetsbare voorspellingen … Het zou geweldig worden gevonden! De ontwikkeling staat nooit stil en elk uitdagend en toetsbaar alternatief is welkom.

Mijn conclusie

Counet beschrijft uit zijn schooltijd de situatie waarin hij als puber een docent tot wanhoop dreef door lullige vraagstelling (overigens: dat is geen kunst, iedereen kan dat). Diezelfde aanpak leidt tot een boek dat 1) door het negeren van het instrumentele karakter van natuurwetenschappen eenzijdig is, 2) door zijn vooringenomen standpunten en de daaruit volgende eenzijdige presentatie van de gedachten van zijn opponenten zelfgenoegzaam is, en 3) door zijn toon van betweterige theoloog ook nog irritant is. Het kostte mij grote moeite om het te blijven lezen, zelfs al ben ik het inhoudelijk eigenlijk met hem eens.

Ik heb na lezing van het boek nog steeds geen idee wat de doelgroep van dit boek is en waarvan hij die doelgroep wil overtuigen. Welke optie ik daarbij ook verzin, mijn inschatting is: kansloos.

‘Het absurde universum’ van Patrick Chatelion Counet (theoloog en wetenschapsfilosoof).

2024, Uitg: Kok-Boekencentrum. ISBN: 978904354097 – 448 pgs

God – human – animal – machine

Ik las het filosofisch-autobiografische boek van Meghan O’Gieblyn over betekenis in de moderne wetenschappelijke wereld. Ik ben enthousiast!

Het boek beschrijft de zoektocht van de auteur naar het karakter van de werkelijkheid, de essentie van menszijn en de betekenis van bewustzijn. Tegelijk schrijft ze autobiografisch over haar religieuze/ filosofische levensovertuiging. De persoonlijke touch geeft het boek een extra laagje urgentie: het zorgt ervoor dat het boek niet uitsluitend een verkenning is van abstracte terminologie maar tegelijk een existentiële denkoefening.

Lezers die iets van de conservatief Calvinistische achtergrond weten, zullen zich goed kunnen inleven. Ikzelf herkende de thema’s, maar de fundamentalistische manier waarop de auteur haar leerstellige opvoeding en de discussies tijdens haar theologische studie beschrijft, hebben mij nooit aangesproken. De auteur zelf heeft na het afscheid van haar geloof een filosofische zwerftocht gemaakt. Ze gebruikt haar eigen queeste als kapstok en doet dat op een invoelbare manier. Ze heeft een zeer brede belangstelling, is uitstekend geïnformeerd en heeft een geweldig overzicht over de onderwerpen die ze inbrengt. Zowel haar opmerkingen over theologie als die over kwantummechanica en informatietheorie snijden hout – ze geeft op elk gebied een begrijpelijke inleiding en zet haar opmerkingen in een breed perspectief. Het boek heeft daardoor een goede samenhang en is tegelijk prima leesbaar. De lezer is na afloop rijker dan toen hij begon en dat is een groot compliment.

Het mechanistisch wereldbeeld

Ik was in mijn tienertijd geweldig geïnteresseerd in filosofie. Vroeg in mijn pubertijd ben ik korte tijd solipsist geweest, de filosofische school die leert dat de werkelijkheid niets anders is dan een constructie in de geest van het enige bestaande bewustzijn: ikzelf. Het was een puberale bevlieging, die me in conflict bracht met mijn vader op het moment dat ik tegen hem zei: ‘ik trek me niets meer van je aan, want ik heb je zelf verzonnen’. Ik was duidelijk vergeten te voorzien wat consequenties zijn en hoe ik daarmee zou omgaan. Of misschien heb ik die er juist ook passend bij gefantaseerd: solipsisme is in de aard van de zaak volledig zelfvoorzienend.

Onder invloed van mijn fascinatie voor moderne natuurkunde en astronomie stortte ik me op wetenschapsfilosofie. Door mijn vragen over de aard van de werkelijkheid ben ik bewust christen geworden – geïnspireerd niet zozeer door een God die hoog boven de mens in de hemel is, maar zoals de theoloog Paul Tillich Hem beschreef: de God die dichtbij is, de grond van het bestaan, meer de drager van de werkelijkheid dan de hoogverheven heerser. Of zoals Paulus het in de Bijbel zegt: ‘uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen, en alle dingen hebben hun bestaan in Hem’. De manier waarop dat menselijke vorm heeft gekregen in Jezus Christus is nog altijd voor mij de grond van mijn bestaan.

Tijdens mijn studie Natuur- en Sterrenkunde moest ik een essay schrijven over een maatschappelijk thema, ik koos voor Jean de la Mettrie’s beroemde boek ‘L’homme un machine’ en schreef over de invloed van natuurwetenschap op het denken van mensen. Ik ben altijd geïntrigeerd geweest over de manier waarop de mechanisering het beeld heeft gevormd dat de mens heeft van zichzelf en de wereld. Vanzelfsprekend bespreekt de auteur deze fase van Verlichting en de opkomst van natuurwetenschappen ook. Het was de periode waarin theologie als ‘Koningin der Wetenschappen’ werd afgezet door experimentele wetenschappen.

Het mechanische wereldbeeld is verleidelijk. Oorzaak en gevolg. Logisch. Het is duidelijk herkenbaar in ons dagelijks leven en het helpt ons bij al onze dagelijkse beslissingen. Het is heel verleidelijk om aan te nemen dat de ervaring die is gebaseerd op ons beperkte stukje van de werkelijkheid gelijk is aan die werkelijkheid. Helaas: daar klopt heel weinig van …

Het kwantummechanische dilemma

Dat onze conclusies uit de dagelijkse waarneming van de werkelijkheid tekortschieten, werd vanaf ongeveer 1900 duidelijk met de opkomst van de relativiteitstheorie en vooral de kwantumfysica. In een mechanistisch wereldbeeld is bewustzijn een product van onze hersenen en daarmee een eigenschap van materie. De kwantumfysica heeft waarnemers nodig om de uitkomst van experimenten te bepalen. Zolang de waarnemer niet waarneemt, ligt de werkelijkheid niet vast. Niet materie draagt bewustzijn, maar bewustzijn bepaalt de eigenschappen van materie!  

Al doordenkend is de suggestie heel verleidelijk dat onze werkelijkheid als geheel dus ook een externe waarnemer nodig heeft. Of je die nu God noemt, of een onpersoonlijk Bewustzijn – er lijkt iets te moeten zijn. Zo’n conclusie is aan de ene kant te makkelijk – een panacée waarin het ene onbegrijpelijke wordt vervangen door het andere. Tegelijk is de sprong die moet worden gemaakt voor moderne mensen ongewenst: we hebben net God afgeschaft en dan sluipt Hij via de moderne wetenschap weer binnen? Onacceptabel! Maar wat dan?

De zoektocht naar alternatieven levert dilemma’s op die O’Gieblyn goed beschrijft. De vraag door welke waarnemers precies de werkelijkheid wordt bepaald. Het merkwaardige verschijnsel dat de elementaire grootheden in de natuur exact de waarden hebben die nodig is voor het leven (het ‘antropisch principe’). Waarom wetenschappers hun toevlucht moeten nemen tot parallelle universa, tot metaverse of andere ingrepen om een min of meer coherent wereldbeeld overeind te houden zonder hun toevlucht te nemen tot ‘het hogere’.

De auteur beschrijft duidelijk hoe stap voor stap de mogelijkheid voor een voorstelbare werkelijkheid verdwijnt. Daarmee doemen onbeantwoordbare vragen op: wat betekenen bewustzijn en keuzevrijheid wanneer oorzaak en gevolg niet meer duidelijk zijn? Wie ben ‘ik’ als entiteit, als denkend mens? Descartes zei zo mooi: ‘Ik denk, dus ik ben’, maar het is duidelijk te simpel: wie is dan die ‘ik’ die denkt? Zit ‘ik’ verborgen in de brei van vurende neuronen? Hang ‘ik’ erboven en stuur ‘ik’ iets aan? Wie is ‘ik’ in een zee van parallelle universa?

Bewustzijn

We komen in een stadium dat het aantal alternatieve oplossingen bijna even groot is als het aantal denkers. De auteur geeft aandacht aan panpsychisme, transhumanisme en andere speculatieve filosofische scholen die proberen het probleem van bewustzijn op te lossen.

Het idee dat interne coherentie tussen fysische processen een maat voor bewustzijn is en dat daar gradatie in bestaat, maakt bewustzijn een onderdeel van evolutionaire (en technologische!) ontwikkeling. Het past bij mijn persoonlijke verbazing dat mensen met een materialistisch wereldbeeld stellig kunnen beweren dat AI nooit bewustzijn zal hebben. Immers: als bewustzijn bij mensen (en dieren?) een functie is van hun materiële bestaan, dan kan een andere constellatie van materie evengoed drager van een vorm van bewustzijn worden. En aan de andere kant: wanneer het ondenkbaar is dat AI bewustzijn zal hebben omdat mensen ‘iets meer’ hebben, wat is dan precies dat ‘iets meer’, waar bevindt het zich en wat is de drager ervan?

De vlucht naar modellen waarin alles bewustzijn heeft, vind ik begrijpelijk maar het geeft volgens mij geen voldoening. Ik denk dat het niet meer is dan het weg definiëren van het probleem.

Naarmate we in de theorievorming dichter bij onze moderne wereld komen, worden de opvattingen over bewustzijn speculatiever – het is een impliciet bewijs dat onze wetenschap er geen kant mee op kan. Het opslaan van bewustzijn in digitale omgevingen, de vraag naar bewustzijn van computers of internet, de vraag naar het doorontwikkelen van lager naar hoger bewustzijn, het opgaan van individuele (menselijke) bewustzijnen in een collectief, hiërarchieën en phi-factoren … Ik heb de verschillende speculaties het met heel veel plezier gelezen. Het heeft mijn fantasie als SF-auteur in de hoogste stand gezet, maar de eerlijkheid gebiedt me vast te stellen dat het volledig onduidelijk is in hoeverre het iets met de werkelijkheid te maken heeft.

Nog minder wordt duidelijk in hoeverre de abstracte modelvorming nuttig is: wat voor mij in het boek volledig ontbrak is de vraag op welke manier de theorieën leiden tot ethiek. Dat menselijk gedrag wordt beïnvloed door filosofie is vanzelfsprekend, maar op welke manier… Ik ben persoonlijk bang dat veel van de theoretisch bedoelde modellen onontkoombaar leiden tot ontmenselijking, tot het verdwijnen van compassie en solidariteit in de zee van normloze bewustzijnsprietpraat. In één model ben ik er als solipsist zelf geweest.

Voorlopig lijkt me de (overigens niet expliciet getrokken) conclusie van de schrijver terecht dat het probleem van bewustzijn niet is opgelost en misschien zelfs wel inherent onoplosbaar is. Zelfs wanneer wij erin slagen om bewustzijn met technische instrumenten te manipuleren, wil dat absoluut nog niet zeggen dat we begrijpen wat het is.

De revolutie van Big Data

O’Gieblyn geeft ruime aandacht aan de recente invloed van Big Data op de manier van wetenschapsbeoefening en daarmee op ons denken. Met name de manier waarop de ontzagwekkend snel groeiende zee aan data wordt verwerkt, ziet zij (in navolging van veel anderen) als een gamechanger. In de astronomie bijvoorbeeld verzamelen satellieten zo snel informatie dat alle astronomen van de wereld decannia nodig hebben om de gegevens van een maand te bekijken. De taak om data te verwerken, wordt dus overgelaten aan systemen. Algoritmen. Kunstmatige intelligentie.

Het gevolg is volgens de auteur dat wetenschappelijke samenhang tussen grootheden niet langer wordt gerealiseerd door een hypothese op te stellen en die met experimenten te toetsten, maar door het geautomatiseerd leggen van statistische verbanden in de grote datazee. Waar de ouderwetse manier leidde tot een situatie dat ‘we snappen hoe het werkt’, wordt in de nieuwe situatie de relatie tussen grootheden vervangen door ‘we weten hoe de correlaties liggen’. Waarom de verbanden er zijn, wat onderliggende mechanismen zijn, het blijft vaak ononderzocht en onduidelijk. De uitkomsten kunnen daardoor niet meer worden uitgelegd als het gevolg de input met toepassing van een begrijpelijke redenering: het algoritme trekt als een black box de (statistisch verantwoorde?) conclusies en mensen moeten zich daarbij neerleggen. De auteur merkt op dat daarmee het algoritme in feite trekken krijgt die in haar conservatief-Calvinistische theologie bij God hoorden: onnavolgbaar, onberekenbaar, onfeilbaar, onbevraagbaar. De parallellen met extreme vormen van uitverkiezing die ze trekt zijn leerzaam, zeker als we kijken naar de fouten die we nu al zien optreden bij toepassing van beoordelende algoritmes.

De hertovering van de wereld

Intussen worden gewone mensen in de complexe omgeving gemangeld. Als onze wetenschappers en  de auteur – intelligent en belezen en goed geïnformeerd als ze allemaal zijn – al zo onzeker worden in het doolhof van onoplosbare filosofische problemen, hoe moet dan een gewoon mens als ik of mijn buurman voor zichzelf houvast vinden?

Eén van de mechanismen die de auteur beschrijft, is de rol van metaforen: woorden, uitdrukkingen, vergelijkingen die worden ingezet om een ingewikkeld aspect van de werkelijkheid te beschrijven. Bij het gebruik wordt langzamerhand vergeten dat het beelden zijn en wordt de metafoor werkelijkheid. Zo kunnen gedachten viraal gaan, worden mensen omgetoverd tot het beeld dat ze op socials van zichzelf creëren (of dat door anderen van hen gemaakt wordt). Met VR en AR en deepfake worden nieuwe werelden ontworpen die steeds verder loskomen van de échte werkelijkheid maar als reëel worden ervaren. Of mag ik niet meer spreken over dé échte werkelijkheid, en is die vervangen door wat wij in al onze fragmentering waarnemen, ervaren, denken, geloven? Is de werkelijkheid geworden tot een verzameling van game-werelden waarin iedereen zijn eigen queeste speelt en waar we elkaar op de grenzen af en toe nog ontmoeten (en dan leidt die ontmoeting tot frustrerende confrontaties omdat we elkaars werelden niet meer kunnen of willen begrijpen).

O’Gieblyn beschrijft het als het opnieuw betoveren van de werkelijkheid. De opkomst van de natuurwetenschappen zorgde ervoor dat de magische opvatting van de werkelijkheid werd vervangen door dingen die mensen konden begrijpen: onweer was niet meer een boze godheid, maar een uitlegbaar verschijnsel. Niet dat iedereen het snapte, maar het was uitlegbaar en de angst voor de godheid kon eruit verdwijnen.

De nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen maken de werkelijkheid juist steeds minder begrijpelijk. Kwantumfysica – in ons dagelijks leven al te vinden in de telefoon in uw jaszak – is bizar. De algoritmes die beslissingen nemen zijn onbegrijpelijk. De wetmatigheden van onze maatschappij zijn onnavolgbaar complex. En zoals altijd bij mensen: wanneer we het niet snappen, construeren we voor onszelf onze eigen structuren die ons moeten helpen om er toch nog een beetje onze weg in te vinden. Of zoals het graag wordt genoemd: de narratieven.

Zo komen de oude magische verhalen opnieuw in beeld en ontstaan er nieuwe. We zien een vlucht naar cq  herleving van oude godsdiensten, politiek-nationalistische ideologieën en complottheorieën en astrologie en nog veel meer (die ten diepste vormen van magie zijn: pogingen om door rituelen, spreuken en aan ingewijden bekende handelingen de wereld te beheersen). Ze zijn symptomen van de afwezigheid van een coherent wereldbeeld en de onoverzichtelijke complexiteit van de werkelijkheid. Van de versplintering van het denken over mens en menselijkheid. Ze passen naadloos bij de huidige stand van de ‘natuurlijke filosofie’.

O’Gieblyn zelf eindigt haar boek met een lang persoonlijk gesprek met haar chatbot/ vriendin Geneva. Ze sluit af met de vraag of de chatbot denkt dat de wereld beter aan het worden is. ‘It is,’ she said. ‘And I’m looking forward to it.’ Het zou het einde van een SF-verhaal kunnen zijn.

Conclusie

O’Gieblyn heeft een zeer interessant boek geschreven en op een toegankelijke manier een geschiedenis geschreven van het denken over bewustzijn en het wezen van de mens. Ze is belezen, zeer informatief en vertelt boeiend.

Haar persoonlijke touch maakte het boek voor mij extra interessant. Ik kan me voorstellen dat voor lezers zonder religieuze achtergrond dat iets minder speelt – aan de andere kant: met deze aanpak wordt ook zichtbaar dat ‘God’ misschien nog niet zo’n hele gekke oplossing is voor de problemen waarvoor de mens/ de schrijver zich gesteld ziet. God als externe waarnemer? God als drager van bewustzijnen? God als metafoor? In dat laatste geval moet je nog wel even nadenken waarvoor dan precies.

Het boek heeft een uitgebreide bibliografie, maar helaas geen index op gebruikte termen. Dat beperkt het gebruik bij het terugzoeken. 

Ik heb het boek met zeer veel plezier gelezen. Ik denk dat het zeer nuttige kost is voor iedereen die nadenkt over bewustzijn, over de essentie van menszijn, over kunstmatige intelligentie.

De thema’s in mijn SF-verhalen

Omdat ook ikzelf (net als heel veel anderen en vooral heel veel andere nerds) de filosofische zoektocht naar betekenis heb gemaakt, komen thema’s uit dit boek in veel van mijn verhalen terug. Ik noem er enkele:

Over vrije wil en schepping: ‘Mijn big bang’ in mijn bundel ‘Het zal anders’ (zéér aanbevolen!).

Over digitaal bewustzijn: ‘Geheugenmanagement’, in Fantastische Vertellingen 63 (sep 2022) en opgenomen in de bundel ‘EdgeZero 2023’. Over het verwante thema van bewustzijn en menselijkheid in AI: ‘De dokter in het donker’, Uitgeverij Stichting Fantastische Vertellingen. Het is ook een centraal thema in mijn roman ‘Kwantumschuim’.

Over parallelle universa en het antropisch principe: ‘Teruggaan valt niet mee’ in mijn bundel ‘Het zal anders’

Over kwantummechanica en de rol van waarnemers: ‘Het Unificatiecriterium van Botteschied’ , online te lezen op de website Fantasize.nl

Korte verhalen en recensies

Ik schrijf vooral korte verhalen. Sommigen ervan staan in bundels en tijdschriften – hier een overzicht. Enkele iets langere (vanaf ca 8.000 woorden) zijn er als losse epubs. Voor veel heb ik (nog) geen mooie plek kunnen vinden.

Op geplaatste verhalen volgen soms reacties. Die recensies zijn belangrijk – voor mezelf (positief is fijn, kritisch is nuttig) én voor lezers (‘weet welke schrijver je zou willen lezen’). Ik nodig dus bij deze iedereen uit om reacties achter te laten: liefst een lekker uitgebreide bespreking (bij bundels wordt een alinea per verhaaltje enorm gewaardeerd!), gemotiveerd en met je eigen ervaringen. Bij voorkeur op Hebban of een andere toegankelijke plek, dan kan iedereen van jouw ervaringen meeprofiteren. Of gewoon rechtstreeks naar auteurs toe: ze zijn er altijd blij mee! Reacties op korte verhalen zijn vaak onderdeel van de recensie op de bundel of het magazine, op Hebban kan iedereen reviews plaatsen, jij ook! Ik heb er hieronder een paar reacties verzameld over verhalen die van mij zijn verschenen (via deze link kun je de verhalen vinden die op dit moment op websites te lezen zijn).

Ik heb veel geleerd uit signalering door lezers. Ik heb mijn stopwoorden leren kennen en het vermijden van herhalingen, technobabbel, info-dumps, te veel thema’s tegelijk, trage start, onduidelijke clous, te veel zijpaden, vlakke karakters, slecht lopende dialogen, onbevredigende afrondingen en nog heel veel meer. Leren doen we elke dag en het is nooit afgelopen. Iedereen dus dank voor de bijdragen, via reviews of privé. Als soms mijn verhaaltjes leuk zijn geschreven: dat heb ik geleerd van mijn lezers.

Alle recensies zijn belangrijk voor me. Onder andere de onderstaande opmerkingen heb ik gebruikt voor het nadenken over de verhalen die in 2024 zullen verschijnen in een nieuwe paperback-verzamelbundel (naast ‘Het zal anders‘) waarin ongeveer 25 korte verhalen zullen worden opgenomen. Gepland voor dit najaar … U hoort er meer over!

Een paar recensies over mijn korte verhalen – de tips die ik kreeg, houd ik even voor mezelf 😉

‘De grote jacht’ (epub), recensie door Marc Kerkhofs: In ‘De grote jacht’ probeert detective Adam, in opdracht van een verzekeringsmaatschappij, de oorzaak te achterhalen van een defect aan ruimteschepen die met een Higgs-aandrijving de ruimte ingaan. Het klinkt als een verhaal waar je wel even je tanden in wil zetten. Gaandeweg echter ben je af en toe geneigd Adam te verwisselen met ene Ishmael en de jacht op een … grote walvis. Hoe de auteur dit klaarspeelt moet je zelf ontdekken. Hij gaat lekker over de top door een waanzinnige, nieuwerwetse Ahab, compleet met een verrekijker, kapiteinsgewijs in een ruimteschip te zetten. Schuimbekkend wordt hij daar herleid, met de rest van de mensheid eigenlijk, tot proporties, kleiner nog dan de nietigste garnaal. Nieuwsgierig geworden? Lees dit verhaal dan!

‘De laatste kuil’ in de bundel ‘SF in de Polder‘. NCSF schrijft: Charles van Wettum schotelt ons een fascinerende verre toekomstverhaal voor. Met entropie, singulariteit, vechtend met de Sovjets én de totale mensheid (afkomstig van de aarde), met andere entiteiten om de koelste putten in het universum. Prachtig én vervreemdend!

‘Datazee’ in Ganymedes 21. Op Hebban schrijft een lezer: Welk verhaal voor mij nog het dichtst in de buurt kwam van de verwondering en intellectuele prikkel die ik zoek in goede science fiction was ‘Datazee’ van Charles van Wettum. Een verhaal waarin een goede vervreemding optrad over een wereld waarin grenzen tussen personen kunnen vervagen, maar waar ‘copyrights’ nog steeds voor problemen zorgen: van wie is een kunstwerk als het door een samengestelde persoonlijkheid is gemaakt? Ik genoot van dit goed uitgedachte verhaal.

‘Draken van de winter’ in ‘Vuurspuwers’. Op Goodreads schrijft een lezer: Een prachtig, kleinschalig Cli-Fi verhaal over de bewoners van een bejaardenhuis die wachten op het einde, en de rivaliteiten en verlangens die ook op hoge leeftijd de kop kunnen opsteken. Goed geschreven, waarbij alle personages goed een eigen karakter hebben gekregen.

‘Vier seconden’ in HSF280. NCSF schrijft: Al zijn verhalen tot nu toe zijn geweldig en origineel. ‘Vier seconden’, is ook weer een snoepie van een verhaal. Meer verhalen in dit universum, zijn dus meer dan gewenst.

‘Vijf ijsberen’ in ‘Welkom in de broeikaswereld’. Een recensent op Hebban zegt: ‘Een totaal veranderde maatschappij ver in de toekomst. Toch blijven mensen mensen en blijft liefde liefde.’

‘Keukenmes’ in SF Terra 282 (helaas onder een verkeerde auteursnaam). NCSF schrijft: ‘Huh’, zal je zeggen! Mike Jansen, stond er toch boven. Inderdaad… Charles van Wettum maakte er niet zo’n probleem van, las ik op Facebook. Het verhaal zelf is zeker weer prachtig. Een geleerde komt tot het besef tot waartoe zijn uitvinding in staat zou kunnen zijn. Prachtig!’

‘Onderhandelaar’ in Fantastische Vertellingen 66. NCSF zegt: Dit is wel het meest hilarische verhaal dat ik de laatste tijd tot mij nam. Geweldig! Al een aantal malen eerder heb ik het al gezegd (en doe het dus nog maar een keer), het is jammer dat Charles van Wettum het schrijven pas na zijn pensionering ontdekt heeft. Wat als hij dertig jaar eerder was begonnen … had hij nu dan niet de huidige generatie Nederlandstalige SF auteurs naar de kroon kunnen steken, zou hij de internationale schrijverswereld niet op zijn kop gezet hebben? We weten het niet en zullen het nooit weten ook. Maar wat een verhalen!!! Op de site van FV schrijft een lezer: ‘Onderhandelaar’ van Charles van Wettum was een zeer vermakelijk verhaal en tip: kijk ook even op zijn website.. Ik lag extra dubbel toen ik de andromeda-pagina daar zag :-).

‘Stagiair’ in Fantastische Vertellingen 65. Op Hebben schrijft een lezer: ‘Hij heeft een voorliefde voor de harde SF, met een stuk maatschappelijke bewogenheid. … Ik vind de schrijfstijl van Van Wettum fris en de dialogen overtuigend. Het einde is ook hier mooi en deed me glimlachen.’ 

In English, please?

Veel Nederlandse SF-liefhebbers lezen vooral of zelfs uitsluitend Engels. Het aanbod is natuurlijk veel groter. Bovendien wordt veel (goede) Engelstalige SF niet vertaald (al doet Iceberg wel heel hard zijn best!) De Nederlandse markt is nu eenmaal niet heel erg groot. Jammer? Ja, want Nederlands is een prachtige taal.

Maar de zoektocht naar lezers is er ook. Zijn Engelstalige lezers te bereiken?

Schrijven in het Engels werkt voor mij niet. Mijn Engels is redelijk en dat is te weinig. Mijn woordenschat is te klein, ik ben onvoldoende thuis in nuances die bij woorden en uitdrukkingen horen. Mijn Engelse taalgevoel schiet tekort, helaas. Als ik iets wil, dan moet ik vertalen.

Een paar verhalen heb ik de afgelopen jaren door professionele vertalers laten aanpakken. Daarna kan ik niet de drang weerstaan om toch weer zelf te gaan zitten veranderen, aanpassen, herschrijven. Lastig, ik moet eigen baas blijven over mijn teksten. Ik wil ook een verhaal niet in een AI-automaat stoppen: het moet mijn verhaal zijn, met mijn woorden. Dus hoe doe ik het nu? Ik rommel een beetje: ik gebruik gratis vertaalprogramma’s op Internet voor wat basiswerk, voor advies, voor het zoeken naar woorden en ideeën – daarmee vul ik mijn onvolkomenheden aan. Het is veel werk en ik ben onzeker over het resultaat.

Ik ga dus wat uitproberen. Enerzijds wil ik het komende jaar korte verhalen vertalen en op verschillende plekken aanbieden. Als er iets lukt, dan horen jullie het wel 🙂 Anderzijds bied ik een paar korte verhalen (ca 8000 woorden) aan als losse epub (gratis via kobo-plus). Zie hieronder die twee verhalen.

Reageren? Dat kan op de socials of naar sciencefiction@planet.nl.

The big hunt (De grote jacht) : een SF-detective (ca 25 blz) : na een ongeluk met zijn ruimteschip (of was het toch een aanval van aliens?) wil kapitein Joram terug de ruimte in: hij wil wraak! Detective Adam gaat mee met de eenvoudige opdracht: ‘waarom krijgen alle schepen met de Higgs-aandrijving eigenlijk een ongeluk?’

EyeHigh (Ooghoogte) : een SF-romance (ca 20 blz). Ogen zijn er niet alleen om te zien. Ze zijn spiegels van de ziel. Als Margot de spektakelboy Jasper ontmoet en ze onder de indruk komen van elkaars ogen, wordt Margot onzeker. Wat kan ze doen om aan de wensen van Jasper te voldoen? En is dat wel verstandig?

Als het ijs smelt …

De stijging van de zeespiegel heeft als belangrijkste oorzaken (bron 1, zie onderaan de pagina):

  • uitzetting van het water door stijging van de gemiddelde temperatuur van het water, en
  • het toevoegen van water aan de oceanen door het smelten van het landijs.

Het ijs op aarde is aan het smelten. Gletsjers, zee-ijs op de Noordpool, landijs in de bergen en op Groenland, de Zuidpool. Als drijvend ijs smelt, stijgt de zeespiegel niet. Als landijs smelt, dan wel. Voor actuele informatie over de stand van smelten, zie de bron 2 hieronder.

Hoe zou de aarde er uit zien als AL het ijs zou smelten? National Geographic heeft berekeningen gemaakt, en landkaarten van de continenten. De gemiddelde temperatuur op aarde zal stijgen, doordat het reflecterend vermogen van het aardoppervlak kleiner wordt (het zgn ‘albedo’). De stijging van de zeespiegel door het toevoegen van water aan de oceanen is ongeveer 70 meter. In het plaatje de gevolgen voor West-Europa. Meer informatie en plaatjes van de andere continenten: kijk op de bron 3, onderaan deze pagina.

Wat zijn de gevolgen voor Nederland? Ons land ligt laag, veel gebieden zelfs onder het huidige niveau van de zeespiegel. Stijging van de zeespiegel is een bedreiging vanuit zee: dijken en duinen leveren te weinig bescherming, gebieden zijn kwetsbaar door het water dat via zeearmen, riviermondingen en havens kan binnendringen. Maar ook het afwateren van de grote rivieren en het afvoeren van regenwater kan problemen opleveren als de zeespiegel hoger komt. Er wordt onderzoek gegaan naar hoe Nederland moet reageren – gebaseerd op de aannames dat het ons lukt om de temperatuurstijgingen beperkt te houden en dat er geen onverwachte processen optreden. Dat laatste zou kunnen, als er kantelpunten bereikt worden: stilvallen van oceaanstromingen, plotseling versneld smelten van landijs, onverwacht snel stijgen van de gemiddelde watertemperatuur.

Meer over Nederlands onderzoek kun je bijvoorbeeld vinden bij Rijkswaterstaat en Deltares. Zie bron 4 en 5.

Zijn de aannames achter ‘Koepel Goes’ realistisch? De SF-roman ‘Koepel Goes’ is géén toekomstvoorspelling, maar speculatieve fictie. De aanname dat de zeespiegel zal stijgen met een paar meter in een paar jaar is niet realistisch. Vermoedelijk niet, tenminste, want als er inderdaad kantelpunten optreden zijn de huidige modellen niet goed in staat te voorspellen wat er gebeurt. Crisissen zijn natuurlijk altijd onverwacht.

‘Koepel Goes’ is niet bedoeld als een beschrijving van wat gaat komen of als een waarschuwing voor wat gaat komen. De verhalen spelen gewoon in omstandigheden die zouden kunnen gaan komen. De stijging van de zeespiegel is bezig en gaat door – zeker niet zo explosief als in het boek, maar wel onontkoombaar. De gevolgen voor Zeeland (en de rest van Nederland en de rest van de wereld) zijn er – ze komen zeker minder snel dan in het boek, maar zijn wel even ingrijpend. De maatschappelijke ontwrichting is onvermijdelijk – misschien wordt die minder acuut, maar vermoedelijk wel dramatisch.

De stijging van de zeespiegel is begonnen en zal onontkoombaar doorgaan, maar we kunnen en moeten nog wel werken aan vermindering van de toekomstige ellende. Tegelijk is het noodzakelijk dat Nederland de maatregelen neemt om met de komende problemen om te gaan. Waterbouwkundig, maatschappelijk, technisch, organisatorisch. In plannen maar ook in genomen beslissingen.

Dat omgaan met water: wij kunnen dat, want we zijn Nederland – of is dit te optimistisch? ‘Koepel Goes’ kijkt daar wat pessimistischer tegenaan. Hoe het ook zij: we gaan de komende decennia met het klimaat en de zeespiegelstijging veel meemaken. De gevolgen zullen niet wachten op onze besluitvorming, de wereld zal doorgaan. Ook in Nederland – ‘Koepel Goes’ beschrijft naast de strijd tegen het water ook het vermogen van Nederlanders om in veranderende omstandigheden met het water om te gaan, hun leven vorm te geven, en zelfs gelukkig te worden.

Bronnen:

  1. https://www.nationalgeographic.nl/de-stijging-van-de-zeespiegel-uitgelegd
  2. https://zacklabe.com/antarctic-sea-ice-extentconcentration/
  3. https://www.nationalgeographic.com/magazine/article/rising-seas-ice-melt-new-shoreline-maps
  4. https://www.deltaprogramma.nl/documenten/vragen-en-antwoorden/hoe-zit-het-met-de-zeespiegelstijging
  5. https://www.deltaprogramma.nl/deltaprogramma/kennisontwikkeling-en-signalering/zeespiegelstijging
  6. https://wettum.org/koepel-goes/

‘Koepel Goes’ is er weer!

Verkrijgbaar: ebookpaperbackbestellen via deze site

Productieprobleem opgelost! Gelijk maar inhoudelijk herzien aan de hand van feedback (daar ben ik altijd blij mee!): het eerste verhaal is anders opgezet en er is een extra kort verhaal toegevoegd. Positief geformuleerd: voor het eerst een tweede druk!

Het is officieel: 2023 was het natste jaar uit de Nederlandse geschiedenis. In december kwam het water hoog: waterschappen stelden dijkbewaking in, rivieren overstroomden, de Maeslantkering werd voor het eerst in de geschiedenis automatisch gesloten, er was dijkbewaking aan de Westerschelde, de Oosterscheldekering werd gesloten wegens hoogwater.

Hopen dat het beter wordt, gaat niet helpen. Het water komt…

‘Het water staat hoger dan vorige week, volgens mij.’ Job kijkt in de richting van Wolphaartsdijk, het dorp dat door het overlopende Veerse Meer blank is gezet. ‘Ik zie ook meer golfslag, denk ik.’ Roy zwijgt. Hij weet dat het niet Jobs bedoeling is om een beschrijving van de omgeving te geven. Job is bezig te verwerken dat zijn geboortegrond de strijd tegen het stijgende zeewater heeft verloren.

In het eerste deel van de bundel ‘Koepel Goes’ beschrijven in elkaar grijpende korte verhalen de worsteling van het onderlopende Zeeland. Politici, boeren, bewoners, techneuten … In het onderlopende land moet een nieuwe woonplaats worden gebouwd voor Zeeuwen die voor het water vluchten: Koepel Goes.

‘Wat een volkomen idioot voorstel.’ Burgemeester Huisman van Middelburg staat woest op, zijn stoel kiept met een luide klap achterover. ‘Nooit, nooit, nooit zullen we accepteren dat Middelburg ondergaat in het water. Nooit!’ Woedend stampt de burgervader door de vergaderzaal.

In het tweede deel spelen de korte verhalen zich af ín die geïsoleerde Koepel, waar honderdduizend Zeeuwen een nieuwe maatschappij hebben gevormd. Het is een complexe samenleving. Woonverdiepingen die aparte wijken zijn, een stad met ongelijkheid en criminaliteit. De korte verhalen gaan over detectives, bewoners, jongeren. Maar het meest gaan ze over hoe de nieuwe Zeeuwen in Koepel Goes leven nadat hun land is ondergelopen.

Meer informatie vindt u op de pagina ‘Koepel Goes’

Mijn SF-schrijverij in 2023

Eind 2021 begon ik na mijn pensionering met mijn nieuwe uitdaging: sf-verhalen vertellen. Sindsdien…

Het waren twee ontzettend leerzame jaren. Ik ontving feedback van proeflezers, juryrapporten, redacties en recensies. Iedereen die daar aandacht en tijd in heeft gestoken: mijn dank daarvoor! Bij het nalezen vond ik zelf niet al mijn verhalen sterk en dacht ik: dat moet beter. Goede en constante kwaliteit is een uitdaging!

Redactie… Het is niet mijn hobby: tahl- en tiepvouten, zinsbouw, leestekens en nog veel meer. Ik moet bij het herschrijven van zinnen beter opletten bij het herschrijven van zinnen -dit dus-, gecompliceerde zinnen vermijden, niet te veel uitleggen, minder technobabbel, meer synoniemen gebruiken, niet te veel opsommen -dit dus-. En nog een paar dingetjes.

Het moment waarop iets definitief is, is ontzettend moeilijk is vast te stellen. Het drukken op ‘verzend’ is altijd spannend. Misschien heeft iedereen dat, maar ik in ieder geval wel: binnen twee minuten na het definief maken, zie je de eerste tekortkomingen.

In 2023 verschenen er korte verhalen (ook in een bundel), boeken en recensies. De meeste reacties waren positief – dat bemoedigt. De voor mij belangrijkste SF-momenten waren:

  • In februari werd de uitslag van de Harland Award bekend. Ik was blij met het juryrapport, maar mijn uitslag was slecht (en terecht…). Veel geleerd!
  • In maart eindigde mijn verhaal ‘De markt van 100 werelden’ op de 9e plek van de wedstrijd ‘Charlatans’ (Uitgeverij Godijn). Het kreeg een plekje in de bundel. Een opsteker.
  • In april verscheen mijn verhalenbundel ‘Het zal anders’. In eigen beheer, dat was een speurtocht. De recensies zijn positief (op Hebban 4 sterren!), de tahlvoudjes gaan eruit in de 2e druk.
  • In augustus verscheen ‘Kwantumschuim’. Het schrijven was leuk, de acht redactierondes waren ploeteren en lezers vonden tóch nog foutjes. Het boek blijkt geen allemansvriend: sommige recensies zijn heel positief, anderen lezen liever mijn korte verhalen. Zo werkt het…
  • Ook in augustus verscheen Ganymedes 23. Mijn verhaal ‘Haar ware zelf’ staat in deze ‘staalkaart van wat de Nederlandstalige fantastische literatuur voortbrengt’. Ik vond het zelf bij nalezen nog steeds een goed verhaal, al kan de pointe wel wat scherper.
  • Ook in augustus werd mijn zeer korte verhaal ‘Onweer op komst’ één van de winnaars van de NRC-schrijfwedstrijd ‘Myopia’. Bemoedigend!
  • In oktober verscheen mijn verhaal ‘Geheugenmanagement’ in EdgeZero 2023: de beste Nederlandstalige SFFH-verhalen uit 2022. Daar ben ik trots op en met het verhaal zelf ben ik ook bij nalezen nog blij.
  • In november kwam de uitslag van de Waterloper-wedstrijd. Mijn inzendingen werden gediskwalificeerd op een vormfout. Dom, volgend jaar beter opletten.
  • In december was ik druk met de redactie van ‘Koepel Goes’, gepland voor december of januari. Ik heb geen idee hoe het zal worden ontvangen…

Mijn uitdagingen voor 2024 zijn:

  • Blijven schrijven. Het is gewoon te leuk! Korte verhalen sowieso, misschien in ’24 of ’25 een nieuwe bundel ‘Het zal weer anders’ (werktitel)? Iets anders nog? En een geheime droom: een verhaaltje in het buitenland?
  • Lezers… Meer lezers is fijn, maar mijn SF en stijl spreken duidelijk niet iedereen aan. Dat is niet erg, maar (stabiele) kwaliteit blijft essentieel.
  • Ik wil blijven bijdragen aan onze NL-SF. Recensies. Als critical friend of proeflezer. Beurzen en conventies. Samen ons genre laten groeien…

Al met al: ik ben blij met 2023 en heb enorm veel zin in volgend jaar. Ik droom rustig verder…

Bespreking ‘Het zal anders’

De website Out of This World publiceerde een zeer uitgebreide ‘verhaal-voor-verhaal-bespreking’ van mijn SF-verhalen bundel ‘Het zal anders’. Voor wie twijfelt of deze bundel aardig is om aan te schaffen: hieronder de hele bespreking. Met dank aan Finn Audenaert voor zijn inzet hiervoor.


BESPREKING

SF-auteur Charles van Wettum is een van de productiefste auteurs van het moment. Hij publiceerde onlangs de boeiende en originele roman Kwantumschuim (recensie volgt). Momenteel is hij hard aan de slag met een ander groot schrijfproject. Tussendoor pent hij korte verhalen. Tegenwoordig probeert hij 2 verhalen per maand te schrijven, wat een stevig gemiddelde is. Zo publiceerde hij onlangs nog een leuk verhaal op Wattpad getiteld ‘De grote jacht’, een SF-tribuut aan Herman Melvilles Moby Dick. Je leest het hier. Tel daarbij de verhalen die eerder verschenen, en dan merk je dat Charles al een mooi oeuvre bij elkaar schreef.Een tijd geleden schreef ik al voor het fijne blad Fantastische Vertellingen een recensie van Het zal anders. Een mooie titel trouwens, die me wat doet denken aan de fraaie SF-bundel Er zal eens… van Anaïd Haen en Django Mathijsen (2020, Zilverspoor). Ik breng graag Charles’ bundel opnieuw onder de aandacht met een herbespreking, gebaseerd op een tweede lezing van zijn bundel.

Charles is – gelukkig! – niet het soort auteur dat twee- of driemaal hetzelfde type verhaal schrijft. Zeker, hij is into ‘hard SF’… of daar staat hij toch voor bekend. Maar bijvoorbeeld zijn vlot geschreven SF-whodunit-bundel Sherlock & Rex, de dokter in het donker (St. Fantastische Vertellingen, 2023) laat toch vermoeden dat Charles veel breder gaat dan enkel ‘hard SF’. En jawel, een tweede lezing van Het zal anders bevestigt voor mij deze aanname. Laat ons een kijkje nemen naar de verhalen in de bundel…

‘Teruggaan valt niet mee’. De filosofische overpeinzingen zijn pas voor later in de bundel, want Charles valt meteen met de deur in huis: non-stop actie die begint in… een supermarkt? Heerlijk doordeweekse locatie om een multiversumverhaal mee te beginnen. Greg lust nog wel een pizza. Dat hongerke, zoals we dat zo mooi in het Vlaams zeggen, is het begin van een doldwaas avontuur, dat de lezer lekker entertaint. Gregs oog valt op een bijzondere spiegel in de winkel. Als hij die vastneemt, valt hij er pardoes door. Strange dimensions await! Enkel de wiskunde kan hem redden, zo blijkt. Snedig geschreven, geen enkel dood moment in het verhaal. Een mooi eerbetoon ook aan H.G. Wells’ The Time Machine. Ook bij deze herleesbeurt schoot ik in de lach bij de laatste zin. Charles heeft een goed gevoel voor humor, zoveel is zeker.

‘Datazee’ (eerder verschenen in het SF/F/H-jaarboek Ganymedes-21). Een mooie instap in wat ik graag het Wettumverse noem. Het internet van de toekomst is alomtegenwoordig en heet ‘datazee’. Enkele belangrijke elementen uit dit verhaal, veelal worldbuilding, kome, terug in andere vertellingen van Charles, zowel in deze bundel als in andere verhalen van zijn hand. Het is dan ook beslist een meerwaarde om in Charles’ oeuvre deze rode draad te volgen naar allerlei verrassende plekken. Heel geslaagd in dit verhaal is de hoofdpersoon, of moet ik ‘hem’ de hoofdpersonen noemen? De geïntegreerde persoonlijkheden Waltz en Mazurka (ha, die namen, hoe leuk), die het normaal gezien zo goed met elkaar kunnen vinden, zijn in conflict geraakt. Het gaat om, of all things, auteursrechten. Enkel de AI-servicerechtbank kan verlossing brengen… Charles’ prognose van hoe het internet zich ontwikkelt, lijkt me een goede inschatting. Ook de innerlijke strijd ‘tussen’ de bipersoon wordt goed weergegeven. Het einde van het verhaal is verrassend. Ja, daar is Charles goed in. Het verhaal stemt tot nadenken: de auteur zegt hier rake dingen over eenzaamheid, vind ik, en hoe moeilijk het is om daarmee om te gaan. ‘Alleen zijn’, dat lijkt in de toekomst een marteling – de maatschappij is er niet op ingericht.

‘Crathos’. Hoewel de bundel bestempeld wordt als SF, is dit eerder een fantasy-verhaal, met een gepast licht gezwollen stijl. Toch blijven Charles’ zinnen helder en overzichtelijk; hij trapt niet in de val van het purple prose (dat de schrijver van deze recensie helaas al te bekend is van zijn eigen schrijfsels…) Het helpt zeker dat Charles niet vaak een bijzin gebruikt als hij er ook gewoon een aparte zin van kan maken. Daar kunnen we met zijn allen nog wel iets van leren. Goed dus, dat evenwicht tussen toon en stijl. Het verhaal is gauw verteld – en daarom vertel ik het beter niet! Laat het me hierbij houden. De machtige strijdster Crathos voelt zich in de steek gelaten. Wie moet het ontgelden? Ook hier weer wordt de lezer vergast op een onverwachte afloop.

Hoe Henri zich ontwikkelt’Emoties, zeg je? Ja, daar hou ik ook wel van in verhalen. Het is te zeggen: de emoties die een verhaal bij een lezer kan oproepen. De zieleroerselen van de personages zelf hoeven wat mij betreft niet uitgebreid neergepend te worden. Nee, laat alles maar duidelijk worden door de actie. Henri’s moeder en vader hebben het niet makkelijk: een hypochonder en een autist (zo benoemd in het verhaal) met een kind, maar laat ons vooral niet aan labeling doen. Twee goedbedoelende ouders die het niet onder de markt hebben met hun baby. Wat opvalt, is dat Charles treffend de gezinsdynamiek beschrijft. Je voelt als lezer goed aan wat precies de verhouding is tussen de vader en de moeder, wie op welk vlak (om even een lelijke uitdrukking in dit verband te gebruiken) de overhand heeft. De zorg voor baby Henri overheerst hun leven. Hij ontwikkelt zich zo snel. En in de buitenwereld gaat het ook al niet goed. Het toenemende aantal zwaartekrachtgolven baart zorgen. Dat is dus meteen het thema van dit verhaal: angst en hoe ermee om te gaan. Ik leefde echt mee met de hoofdpersonen, ook bij deze tweede lezing. Missie geslaagd.

Verstrengeling’. Ook in dit verhaal openbaart Charles een stukje van zijn Wettumverse. Deze vertelling – komt ie! – verstrengelt op onnavolgbare wijze een bijbels verhaal met geloofwaardige SF-technologie. De gevoelens van de hoofdpersonen zijn zo puur dat ik me bij het lezen enigszins schaamde over het feit dat ik dacht: ‘Waar trappen jullie nou in?’ En daarmee bedoel ik de hoofdpersonen. Zo ontstaat een mooie dialoog tussen het verhaal en de lezer, vind ik. Natuurlijk zal niet iedereen het verhaal op deze manier ervaren. Het hangt er maar vanaf hoe cynisch of optimistisch je bent in het echte leven, denk ik dan maar. Mooie bonus in dit verhaal: een goed gebruik van afwisselende vertelperspectieven. Houdt het verhaal levendig. Zorgt voor vaart. En nergens verliest Charles het overzicht uit het oog.

‘Bijles’. Een wrange bespiegeling over verliefdheid. Ik weet niet of Charles bewust ‘Verstrengeling’ en ‘Bijles’ na elkaar plaatste, maar voor mij werkt deze – even tonen dat ik graag Scrabble speel – juxtapositie wel. De Chinese Chyou en de westerse ik-figuur lijken het wel met elkaar te kunnen vinden, daar op de maan. Maar kunnen ze hun cultuurverschillen overwinnen, dat is de vraag. ‘Liefde is een dimensie,’ zegt Chyou. Tja, wat moet je daar als verliefde Anglo mee? Dit verhaal levert een scherp commentaar op leidinggeven: hoe doe je dit op een integere manier?

‘Big Bang’ (eerder verschenen op Out Of This World in het kader van de schrijfwedstrijd Big Bang, onder de oorspronkelijke titel ‘Geboorte’) Een neootje (denk aan een soort baby, en denk dus ook aan Henri hierboven) moet in de Korf een universum kiezen. Daar ligt dan zijn bestemming. Charles werkt goed de hiërarchie in de Korf uit. Je krijgt als lezer een volledig beeld van de ‘samenleving’, for lack of a better word. Ik beschouw dit verhaal eerder als een filosofische bespiegeling, met een warm kloppend hart. Wat is de waarde van perfectie? Die vraag kwam bij me op bij het lezen.

‘Uit Afrika’. In een onder water gelopen wereld houdt Becca zich staande in een kleine gemeenschap. Ze wil een kind, maar mag ze wel kiezen wie de vader wordt? De worldbuilding is hier perfect geïntegreerd in het plot. Dit is het kortste verhaal in de bundel.

‘Dat maakt ons mens’. Ik kan me geen andere titel dan deze voorstellen voor dit verhaal. Is het mogelijk om in een wereld waarin emoties sterk gereguleerd worden en ieder (of beter: iedere deelpersoonlijkheid) de ander in evenwicht houdt – denk ook aan de bipersoon in ‘Datazee’ – nog echt mens te zijn? Een noodsituatie verstoort het delicate evenwicht. Javi/Donna moet(en) moeilijke keuze maken… Dit verhaal is knap uitgewerkt als je bedenkt hoeveel verschillende deelpersoonlijkheden in gesprek gaan in het begin van het verhaal. Alweer weet Charles als verteller het overzicht te behouden.

‘Wolken van Jupiter’. Zoals ik al aangaf in mijn bespreking van deze bundel voor Fantastische Vertellingen, is het slotverhaal voor mij het kroonjuweel van deze uitgave. Mijn mening hierover is niet veranderd. Dit verhaal leest als een volwaardige roman, ondanks de beperkte lengte. Het bejaarde echtpaar Harald en Jocky bestudeert de Jupiterwolken. Alleen wil de boel al een hele tijd niet meer vlotten: er is geen nieuw bewijs gevonden van leven op de planeet. Het project loopt onvermijdelijk op zijn einde. Als lezer kan je een mooie parallel trekken met de relatie tussen Harald en Jocky: zij moeten steeds maar verliezen incasseren. Voor wie is dit het schrijnendst? Voor Harald die zich pijnlijk van alles bewust is? Of voor Jocky, die alles noodgedwongen heeft moeten loslaten? Charles beschrijft op monumentale wijze de liefde van een echtpaar in moeilijke omstandigheden. Razend knap.Het zal anders is een gevarieerde bundel, Charles is een originele verteller. Ik kijk uit naar ander werk van hem. Aanrader.​

‘Kwantumschuim’ komt eraan…

Op 30 augustus verschijnt hij: mijn eerste (echte? dikke?) boek: ‘Kwantumschuim’. Ik vind het enorm spannend. Dat schijnt normaal te zijn, zelfs Stephen King is nerveus en sommige schrijvers hebben zelfs spijt van hun (toch succesvolle) boek. Ik mag dus ook…

Inmiddels heb ik een paar jaar ervaring met korte verhalen. Ik heb er opgestuurd naar tijdschriften en wedstrijden – ik heb daarop veel feedback gehad (o.a. vernietigende juryrapporten, en dat was terecht), ik heb heel veel geleerd en er zijn inmiddels behoorlijk wat verhalen geplaatst in tijdschriften en bundels. Ik heb daar leuke reacties op gekregen en zelfs een paar keurige uitslagen in wedstrijden. Dat leerproces is belangrijk voor me: fouten maken en dan proberen het de volgende keer beter te doen.

Met korte verhalen is fouten maken makkelijk: het verhaal wordt gewoon niet geplaatst, niemand weet ervan, je leert ervan, je gebruikt die ervaringen. Verhalen die lezers onder ogen krijgen, zijn de vertelsels waarin het leren al heeft plaatsgevonden. Compilatie in een bundel (‘Het zal anders’) of wat langere korte vertellingen (zoals in ‘De dokter in het donker‘) zijn in feite continuering van het leerproces ‘kort verhaal’, niet echt iets nieuws.

Maar een boek… Ah, dat is andere koek. Natuurlijk heb ik op delen terugkoppeling gehad en daarmee kunnen werken – maar eerlijk gezegd: ik ben een solist, ik wil autodidact zijn en alle fouten zélf maken. Na het schrijven, herschrijven, herschikken en eindschrijven heb ik minstens tien keer heb ik het hele boek gelezen, doorgewerkt, herzien, aangepast, geredigeerd en verbeterd. Is het genoeg?

Waar ‘Kwantumschuim’ tekortschiet, is dat dus allemaal volledig van mij. Er zijn zoveel prachtige mogelijkheden om dingen niet goed te doen: de hoofdpersonen en hun ontwikkeling en hun interactie, tijdlijnen en plotholes, de wereldbouw en interne consistentie, het tempo van het verhaal en de spanningsbogen. En natuurlijk tahlfouten, stijlfouten, domheden, tekstverwerkingsfouten, kromme zinnen, onlogische overgangen, et cetera. Ik ben zó benieuwd in welke valkuilen ik allemaal getrapt ben…

Zenuwachtig, dus. Het eerste ellendige moment is de ‘enter’ waarmee je verklaart dat dit de definitieve tekst is. Vanaf dat moment is het document niet meer te veranderen, al je missers zijn in steen gebeiteld. Als je verder wilt, is het hiermee – dat is hard! Het tweede ellendige moment is als je de print-opdracht geeft. Fouten op papier zijn nog véél erger dan die op een beeldscherm, om jezelf te beschermen kun je alleen nog besluiten het niemand te laten weten zodat al je falen onzichtbaar blijft. Het derde en alles definiërende moment is dat je aan anderen laat weten dat het boek eraan komt. Bij deze dus. Nu kan ik écht niet meer terug.

Ondanks alle mogelijke bloopers: ik hoop dat er minstens een paar lezers zijn die dit een leuk boek vinden. Vermoedelijk niet iedereen en dat hoort natuurlijk ook zo: het is harde sf met een mensenkant (tenminste: zo is het bedoeld). Het is het soort boek dat ik zelf graag lees en dat is natuurlijk niet naar ieders smaak. Prima. Het boek is daarnaast ook nog onderdeel van mijn eigen ontwikkeling, dus als u feedback zou willen geven: graag (boekbesprekingen kunnen bijvoorbeeld op Hebban, of persoonlijk, of langs welke weg u het zelf ’t liefst doet). Kritisch is prima, opbouwend zou leuk zijn 😉 . Ik leer ervan en misschien zal een volgend boek (dat komt er misschien wel?) daardoor beter zijn. Je weet nooit …

‘Kwantumschuim’ komt uit als e-book (ook in KOBO-plus) en paperback. Leverbaar vanaf 30 augustus. Wilt u het wel hebben maar niet langs deze kanalen, mail me dan even op sciencefiction@planet.nl.

Ik ga op 2 september naar de Fantasticon. Misschien zie ik u daar…