2024: een terugblik

Het was een leuk schrijfjaar, dat tweeduizendvierentwintig.

Het schrijven was prettig om te doen en had ook succes: er kwamen twee boeken uit (met goede recensies, zie hieronder!), veel verhalen op leuke plaatsen (met ook positieve reacties, zie ook hieronder). Een paar beurzen waren bijzonder aangenaam om te doen: een beetje verkopen, maar vooral veel praten met andere SF-liefhebbers.

Op wedstrijden ging het aardig – niet bijzonder goede resultaten, maar ik ben aan het leren en wie weet. De belangrijkste resultaten staan hieronder.

De faceboekpagina’s over de boeken en de LinkedIn-pagina over Nederlandstalige SF werden goed bezocht. Het aantal gepubliceerde recensies was dit jaar wat lager dan vorig jaar – ik kan helaas niet alles tegelijk en dit is dan mijn bewuste keus.

Ik ga volgend jaar gewoon door, zoals ik dit jaar heb gedaan. Eén, misschien twee boeken staan er op de rol – vermoedelijk weer geselfpubbed door Muttew via Draft2Digital, in paperback en ebook. Ik ga weer aan wedstrijden meedoen (Hebban, Waterloper, en nog een paar), verhalen in tijdschriften en bundels plaatsen (van een stuk of vier is inmiddels plaatsing toegezegd). Een paar recensies wil ik ook schrijven – lezen is belangrijk als je wilt schrijven! En zeker bezoek ik een aantal beurzen – meer dan dit jaar maar ik blijf vooral via Amazon en ebook-locaties verkopen. Belangstelling? Kijk op www.wettum.org/bestellen .

Ik wens iedereen een prachtig 2025!

Beurzen

De planning op dit moment is

  • 22 maart: Bergse Boekenweek in Bergen op Zoom
  • 29 maart: MACCnificent in Pathé, Tilburg
  • 4 mei: 9000Con inSt Amandsberg, Gent (B)
  • 6 juli: Dordtse Boekenmarkt
  • 6 september: Fantasticon in Nieuw-Vennip
  • 25 oktober: FabelFest (?), Brugge (B)
  • 1 november: HSFcon in Maastricht
  • 8 november: Fantastic Reads, AnderWereld, LocHal, Tilburg

Boeken

In januari begon de verkoop van ‘Koepel Goes’, de KliFi-verhalenbundel. De eerste druk werd snel vervangen door een tweede, waarin het openingsverhaal sterk was aangepast – de 1e druk is niet meer verkrijgbaar. De tweede werd uitstekend ontvangen: leuke reacties, goede recensies en tevreden lezers. Lees hier meer.

In oktober kwam de verhalenbundel ‘Anderen’: een groot project met 25 verhalen. Ook deze bundel is uitstekend ontvangen. De eerste recensies zijn verschenen en ik ben meer dan tevreden. Lees hier meer.

Korte verhalen

Op verschillende plekken zijn verhalen gepubliceerd. Mijn favoriete websites zijn Fantasize en in België de zeer actieve site Out Of This World. In tijdschriften publiceer ik graag in Fantastische Vertellingen, de verenigingsbladen HSF en SF Terra. Incidentele publicaties waren er in Sintel en het Vlaamse blad Weirdo’s. Een volledige lijst is te vinden op deze site.

In anthologiën stonden verhalen van mij in Ganymedes (al voor de 4e keer – daar ben ik trots op!), in ‘SF in de polder’ (uit de EdgeZero-‘In de polder’-serie), in ‘Niet van deze wereld’ (een verhalenbundel van de site OOTW), in ‘Bang voor spoken?’ (Project van Finn Audenaert, een SF-spookverhaal schrijven was een absolute uitdaging!). Op de valreep verscheen mijn verhaal ‘De wondere wereld van onze bijen’ in de bundel ‘Grimdark in de polder’, het is een net-geen-horror-SF-verhaal (of net wel?).

Wedstrijden

In de wedstrijd Nederland in 2084 scoorde ik met mijn verhaal ‘Herleef’ een plaats als runner-up (2e-5e plek) en publicatie in de bundel. Daar was ik blij mee … Ook het verhaal ‘Het einde van mijn eenzaamheid’ haalde de bundel.

Van de Waterloperwedstrijd kon ik de altijd gezellige bijeenkomst niet bijwonen. De 13e plek van mijn steampunk-verhaal ‘Innovatie’ was heel leuk – een aanmoediging om met Waterloper door te gaan. Het verhaal komt nog wel ergens goed terecht …

De Harland Prijs is een wedstrijd waar ik sinds een paar aan mee doe, wel netjes scoor maar nooit geweldig (zo tussen de 30e en de 60e plek is daar blijkbaar mijn plek). Mijn verhaal ‘Moederliefde’ werd 59e – het krijgt in 2025 een plekje in een verhalenbundel over ons zonnestelsel. ‘De zangers van Enceladus’ eindigde daar net onder, het is inmiddels opgenomen in de bundel ‘Anderen’ en Jos Lexmond (NCSF) verkoos het tot zijn beste verhaal van de bundel: ‘De zangers van Enceladus raakte me diep door de impact van een goed bedoelende daad van onze toekomstige mede aardbewoners. Lof Charles!!!’ Zo zie je maar: het kan verkeren.

In de EdgeZero wedstrijd eindigde ‘De laatste kuil’ bij de jury als 3e en kwam daarmee in de bundel. Bij de publieksverkiezing eindigde ik als 7e – het was voor mij verrassend hoog en een prachtige erkenning voor een toch niet heel toegankelijk far-future verhaal.

Bij de Godijn-wedstrijd ‘Vuurspuwers’ kwam het volledig niet-draken- en echt KliFi-verhaal ‘De draken van de winter’ op de 19e plek en dus in de bundel. Ik was blij dat een behoorlijk fantasy-georiënteerde jury toch een sterk afwijkende benadering van het thema wist te waarderen.

Vergeten: heb je dat of ben je dat?

Ik las de laatste zin van mijn recente verhaal op de site Fantasize.nl ‘De zegen van vergessen’ nog eens over en ik kreeg een vreemd gevoel. De zin was ‘Ik nam me voor mijn broer nog te bellen. Toen ik thuis kwam, was ik dat vergeten.’ Mijn lastige gevoel was: ben je dat vergeten, of heb je dat vergeten?

De afbeelding bij het verhaal op Fantasize.nl is van Gert Jan van der Bemd

Het is vreemd, want met bijvoorbeeld ‘horen’ zou ik dat probleem niet hebben. ‘Ik ben gehoord’ betekent: er heeft iemand naar mij geluisterd. Vergelijk het met ‘de gehoorde uitleg’. ‘Ik heb gehoord’ betekent: er is geluid mijn oor binnengedrongen. Geen probleem, niemand zal ooit met ‘ik ben gehoord’ denken dat het over het eigen luisteren gaat.

Maar met het werkwoord ‘vergeten’ … ‘Ik ben vergeten’ betekent duidelijk: er wordt niet aan me gedacht, zoals in ‘het vergeten boek’. ‘Ik heb vergeten’ betekent: ‘er is iets niet meer in mijn geheugen aanwezig. Maar vreemd genoeg: bij ‘vergeten’ zou ik dat laatste ook formuleren als ‘ik ben iets vergeten’ – zie de laatste zin van mijn verhaal die ook door de (toch heel strenge!) redactie niet werd verbeterd. Of op zijn minst zou ik zeggen: ‘ik ben het vergeten’ kan óók.

Van Dale zegt: ‘ik heb het vergeten’ betekent ‘ik denk er niet aan’, terwijl ‘ik ben het vergeten’ gaat over het uit het geheugen verliezen. In een FAQ zegt Van Dale over de zin ‘ik heb/ ben mijn telefoon vergeten’: in het eerste geval heb je het apparaat ergens laten liggen of heb je verzuimd het mee te brengen. Als je iets vergeten bent, dan weet je het niet meer. De conclusie van de deskundige het kan allebei, maar ‘hebben’ heeft hier de voorkeur. Het is verschil is subtiel, ik kan het begrijpen maar als ik het op mijn eigen laatste zin probeer toe te passen, besef ik dat ik in die zin er voor allebei iets te zeggen zou zijn. Lastig.

Onze Taal zegt:

  • a. Werkwoorden die een toestand of handeling uitdrukken: hebben; hij heeft geslapen, hij heeft gehandeld;
  • b. Werkwoorden die een verandering van de ene in de andere toestand uitdrukken: zijn; hij is gestorven (van levende tot dode toestand); hij is gegroeid (van klein groter geworden);
  • c. Werkwoorden die een beweging, een verandering van plaats, uitdrukken: hebben of zijn. Hebben wanneer meer de beweging zelf is bedoeld, zijn wanneer meer aan het gevolg van de beweging wordt gedacht: hij heeft de hele ochtend gefietst (hij heeft urenlang een trapbeweging gemaakt); hij is naar Brabant gefietst (hij is per fiets daar aangekomen).

Bij toepassing ad c. op ‘vergeten’ sluit dit m.i. wel aan bij Van Dale, maar of het hiermee nu helemaal duidelijk is? Mijn eigen gevoel blijft meer naar het gebruiken van ‘Ik ben het vergeten’. Zou dat betekenen dat ik vooral in termen van beweging of verandering denk, en minder in vaste toestanden? Dat zou ik stiekem wel leuk vinden …

Wat ik me afvroeg: hoe gebruiken jullie het? Zijn jullie iets vergeten, of heb je het vergeten?

Als afsluiting een gedicht, dat wel over de woorden hebben en zijn gaat, maar niet over het hier genoemde probleem. Gewoon, omdat ik het mooi vind:

Hebben en zijn

Op school stonden ze op het bord geschreven.
Het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
Hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
De ene werklijkheid, de andre schijn.

Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen uitgeheven,
Vervuld worden van goddelijke pijn.

Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.

Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
Is kind worden en naar de sterren kijken,
En daarheen langzaam worden opgelicht.

—————————————–
uit het werk van Ed Hoornik (1910-1970)

Portret van de hoofdpersoon door Gert Jan van der Bemd.

Alien ethiek

Iedereen wordt gedreven door zijn idee over wat goed is. Ook aliens.

Titelblad van de SF-verhalenbundel Anderen.

In mijn SF-bundel Anderen – verhalen over aliens en dus over ons verken ik naast wetenschappelijke en ecologische thema’s in een paar verhalen ook vreemdheid. Daar zit een dilemma: als de vreemdheid te groot wordt, is er helemaal geen contact meer en weten we niet eens van elkaars bestaan of is die ervaring volledig eenzijdig (1). Als de vreemdheid te klein wordt, zijn aliens gewoon een soort mensen en worden parallellen te voor de hand liggend. Het meest boeiend vind ik aliens wanneer hun aard met onze eigen menselijkheid schuurt: ‘Alien ethiek’ met lastige normen.

SF leent zich bij uitstek voor zulke verkenningen. Omdat de verhalen duidelijk niet over ons gaan, kunnen we comfortabel afstand houden. Maar vergis je niet: als wij de verhalen kunnen vertellen en begrijpen, dan gaan ze over ons. Onontkoombaar.

Doorvoelde ethiek is bijna per definitie onverdraagzaam: niemand kan ‘goed’ vinden wat volledig in strijd is met zijn diepste waarden. Kun je keuzes die volgen uit andere waarden dan wel verdragen? Misschien zelfs waarderen, bijvoorbeeld omdat daden een oprechte consequentie zijn van iemands andere waarden? Lastig, denk ik: mijn waarderen is altijd gebaseerd op mijn eigen ethiek. Ik vind het bijvoorbeeld mooi als iemand consequent is – maar waarom zou dat eigenlijk goed zijn? Of als iemand eerlijk is – maar waarom is dat een deugd? De conclusie is onontkoombaar: er is geen a priori reden waarom in een ander waardensysteem mijn zo gewaardeerde deugden iets zouden betekenen.

Westers denken is veelal gebaseerd op ‘de waarde van het individu’. Soms vanuit een Joods-christelijk concept van ‘persoonlijke verantwoordelijkheid tegenover God’ (en van daaruit tegenover medemens en bijvoorbeeld schepping), soms vanuit een humanistisch wereldbeeld. De bijbehorende ethiek gaat vaak over individuele rechten (rechten van de mens, vrijheid van meningsuiting) en verantwoordelijkheden. Daaraan hangen deugden als gewetensvorming, eerlijkheid, solidariteit, aanspreekbaarheid en nog veel meer. De set biedt ruimte voor veel verschillen: elke generatie, elke filosofische school, elke bubbel en zelfs elk individu heeft de ruimte om voor het eigen handelen normen te kiezen (bijvoorbeeld over solidariteit of klimaat) of prioriteiten te stellen (bijvoorbeeld eigen familie/ ras/ volk/ land/ soort eerst).

Discussie blijft meestal mogelijk doordat onderliggende basale normen worden gedeeld. Het is wel vaak ingewikkeld. Bijvoorbeeld in de tijd: heel wat opvattingen van onze voorouders zijn (waren? vinden wij?) onacceptabel en we veranderen dus tradities, straatnamen en geschiedschrijving – het is in diezelfde tijd dat (vaak langzaam, soms moeizaam) de waardenset is aangepast tot de normen waaronder nu wordt beoordeeld. Of in bubbels: ons onwelgevallige keuzes labelen we (woke, fascistisch, wappie) en het etiket blokkeert vervolgens pogingen tot begrijpen of invoelen – terwijl er misschien soms wel een verhaal te vertellen is, over geld of informatie of ervaringen. Als het binnen onze ene set basiswaarden al ingewikkeld is, hoe ingewikkeld wordt het dan wanneer zelfs basiswaarden ongelijk zijn?

Misschien is een manier om het gesprek wél te voeren: verhalen vertellen.

  • Wat betekent het voor onze ontmoeting wanneer een alien een buurman is met een set waarden die dicht bij de onze zit (2)?
  • Hoe zou het kunnen gaan het als de alien niet ons ‘individu-model’ hanteert, maar denkt vanuit ‘eer van de familie/ stam/ soort’ (3)?
  • Hoe zou een aliensoort kunnen functioneren als de leden niet eens een individueel zelfbeeld hebben (4)?
  • Hoe zou een ras functioneren dat zichzelf als onbevraagbaar superieur ziet (5) of dat nooit over zichzelf nadenkt (6)?

Bij veel ‘anderen’ zijn vanzelfsprekendheden anders. Wat voor ons een onopgeefbare waarde is, betekent in een ander systeem misschien helemaal niets. Invoelen is dan een zware opgave (7).

Ik denk dat sommige thema’s uit Anderen ook in onze laag-bij-de-grondse verhoudingen iets betekenen. De verhalen zijn geen filosofische overdenkingen, maar slechts verhalen met een aspectje. Meestal is dat filosofische randje gewoon een consequentie van een onderwerp – de verteller is nu eenmaal mens. De lezer zou een parallel kunnen zien, maar het vinden ervan en al helemaal het trekken van conclusies laat ik graag aan die welwillende lezer over. Ik heb mijn werk gedaan, nu zijn jullie aan de beurt.

Zelf trek ik me met veel plezier terug in de veilige omgeving van mijn SF.

De inhoudsopgave van de bundel Anderen vindt u onderaan deze pagina.

  • (1) Zie de verhalen ‘De grote jacht’ en ‘Jaag onze paarden naar de sterren’
  • (2) Zie de verhalen ‘Burengerucht’ en ‘Met excuses’
  • (3) Zie het verhaal ‘Bemanningsbeleid’
  • (4) Zie het verhaal ‘De zangers van Enceladus’
  • (5) Zie de verhalen ‘Altijd weer die pubers’ en ‘Met excuses’
  • (6) Zie het verhaal ‘Het gebeurde op een donderdag’
  • (7) Normen worden ook invoelbaar door een alien-wereld van binnen te ervaren. Verhalen waarin de mens afwezig is, zijn o.a. ‘De pijn van herinneren’ en ‘Dwalend in de ziel van mijn lief’

Goed in een foute wereld?

Soms word je er bang van.

De wereld verhardt – dat leidt geen twijfel. Het gebeurt op wereldschaal: oorlogen, terroristische aanslagen, geweld tegenover geweld, mensen worden opgeofferd voor ‘doelstellingen’, individuele vrijheden worden ingeperkt, godsdiensten en staatsbelangen zijn een vrijbrief voor woest geweld. Niemand lijkt in staat er iets tegen te doen.
De tegenstellingen worden scherper. De leiders die voor kompassen zouden moeten zorgen (moreel, ethisch, oplossingsgericht) creëren chaos. Taal verhardt – schelden, trollen, doodsbedreigingen. Liegen, feiten verzinnen of vervalsen, andermans standpunten bewust verdraaid weergeven of zelfs volledig verzinnen, en dat allemaal om zelf je zin te krijgen: het is normaal geworden. Politiek. In discussies. Tegenover maatschappelijk gezag. Wie zei er nou dat liegen ‘verkeerd’ is?
Anoniem is het nieuwe normaal, want verantwoordelijkheid nemen doe je niet meer. Onder de veilige deken van anonimiteit kun je heerlijk misleiden, trollen, manipuleren – het gebeurt door agressieve regeringen en door manipulatieve miljardairs en door je eigen medemens – misschien is het je buurman. Het kwaadste van anderen denken is het uitgangspunt; het lijkt zelfs noodzakelijk geworden om te kunnen overleven.

En u en ik?

In het stuk over Adorno (zie de link) schrijft de recensent: ‘Onder de maatschappelijke voorgeschreven sjablonen gaat een werkelijkheid van onderdrukte verlangens en mogelijkheden schuil, die de wereld veel rijker maken dan ze aanvankelijk lijkt te zijn. Contemplatie maakt ons van die oneindig diverse wereld bewust en kan die tot ontplooiing helpen brengen. In een goede wereld zou juist diversiteit bloeien en niet worden onderdrukt door een totalitaire of kapitalistische orde.’ Het is een beetje optimisme van een verder volgens mij nogal pessimistische (realistische?) filosoof.

Contemplatie. Voor mij is het niet genoeg – elk mens heeft toch nog steeds de vrijheid om zelf te kiezen hoe hij zelf is? Wat hij zelf doet? Zoals een versje uit mijn eigen jeugd zei: ‘om een kaarsje te zijn, brandend in de nacht. Jij in jouw klein hoekje, en ik in ’t mijn.’ Misschien zijn voor ons geen grote dingen weggelegd – maar elke lezer heeft zijn eigen kleine hoekje (en je weet nooit: misschien is uw hoekje wel groter dan u zelf denkt 😉 ).
Jazeker, het is optimistisch tegen de stroom in, maar dat is een keuze. Misschien hebben pessimisten vaker gelijk, ik wil optimist blijven.
Ondanks wat ik lees in de kranten en op de socials en wat ik zoveel hoor in de media: ik wil op mijn eigen plek kiezen voor het goede (en ja, dat gaat niet altijd goed, maar ik blijf het willen): liefde, blijdschap, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing (Gal 5:22). Er is immers (nog?) geen wet die dat verbiedt.

https://www.filosofie.nl/theodor-w-adorno-goed-leven-in-een-foute-wereld/
https://www.quest.nl/mens/psychologie/a44169508/zijn-optimisten-gelukkiger-dan-pessimisten/

Nederlandstalig? Het is er!

Sta je open voor origineel Nederlandstalige SF of Fantasy? Ben je misschien zelfs op zoek?

BOEKEN – Origineel Nederlandstalige titels zijn mondjesmaat te vinden in de boekhandel, maar des te meer bij kleine uitgeverijen en selfpubbers – ze worden veelal digitaal verkocht of online. Een overzicht van gepubliceerde titels is te vinden op de website van Hebban. Alfabetisch op auteurs (tja, ik sta dus bijna achteraan, het doet me denken aan de middelbare school 😁) met bij ieder van hen de lijst van publicaties – het is redelijk recent. Bij elk boek wordt opgegeven of het SF, F(fantasy), H(horror), YA(young adult) is. Bovendien vind je bij elk boek een link naar het artikel over het boek, met informatie en vaak ook recensies. Hier vind je de lijst: https://www.hebban.nl/spot/fantasyclub/nieuws/overzicht-nederfantasy-3

VERHALEN – Misschien wil je eerst met een onbekende auteur kennismaken. Dat kan vaak door van die auteur een openbaar gepubliceerd kort verhaal te lezen. Ook daarvan houdt Hebban een lijst bij – redelijk actueel en dat is een geweldige prestatie want er komen maandelijks nieuwe bij. De lijst met gratis digitaal te lezen korte verhalen vind je hier: https://www.hebban.nl/spot/fantasyclub/nieuws/overzicht-nederfantasy-korte-verhalen-2/

AUTEURS – Deborah van Duijn maakte een overzicht van in het Nederlands schrijvende auteurs binnen het genre. Ze geeft bij elke auteur een korte kenschets van de thematiek die in hun boeken en verhalen speelt. Een boeiende benadering, die de breedte van het hele veld goed laat zien (uiteraard ook alfabetisch, ik denk dat ik voortaan ga schrijven als Aaron Aab). Haar schrijverspagina vind je hier: https://www.deborahvanduin.nl/schrijvers-themas-onderwerpen/

UITGEVERIJEN – Joost Uitdehaag schreef een stuk over de de kleinere uitgevers die op het SF&F-veld actief zijn. Een boeiend stuk, waarin hij een aantal van hen de revue laat passeren. Het toont het enthousiasme binnen de sector – het stuk is niet geheel volledig. Dit is de link: https://www.facebook.com/groups/358002511440904/posts/1676362236271585/ . Daarnaast zijn er veel selfpubbende auteurs, ze zijn online te vinden en regelmatig aanwezig op conferenties en festivals. Ook daar ben je van harte uitgenodigd.

Anderen: een nieuwe SF-bundel

Er komt een nieuwe SF-verhalenbundel van mijn hand. De titel van de bundel is ‘Anderen’. De covertekst zegt: Aliens. Anderen. Ze zijn de onbekende medebewoners van ons universum. Vreemd, onbegrijpelijk, en toch … Elke ontmoeting in deze verhalen zegt iets over onszelf, misschien is de Andere wel de plek waar wij onszelf tegenkomen.

Er staan ongeveer 25 korte verhalen in. Allemaal verschillende ‘soorten’ anderen. Verschillende vormen van ontmoeting met verschillen in impact en een grote variatie aan consequenties. Enkele van de verhalen zijn al eerder gepubliceerd in tijdschriften en op websites, twee verhalen zijn al sinds enige tijd als losse epub verkrijgbaar maar nu voor het eerst ook op papier. De helft van de verhalen is speciaal voor deze uitgave geschreven.

De bundel wordt verwacht rond 1 oktober 2024. Voorbestellen kan via de site van de auteur: http://www.wettum.org/bestellen

‘Anderen’: vijfentwintig SF-verhalen, ongeveer 360 pagina’s, ruim 90.000 woorden. Via de site 22 euro, inclusief verzendkosten binnen Nederland en België.

Uit het Voorwoord:

Dit is een verzameling van korte sciencefictionverhalen waarin Anderen een rol spelen: aliens, andere intelligenties, andere levensvormen. Hun levenswijze komt ons vreemd voor of misschien leven ze niet eens op een manier die wij kunnen begrijpen. Het intrigeert mij mateloos.

Alles in dit boek is fictie, een product van mijn fantasie. Ik geef toe: het wordt regelmatig erg onwaarschijnlijk. Als excuus daarvoor wil ik erop wijzen dat de werkelijkheid het ook nogal bont maakt. Ik was verbijsterd toen ik las over wat de op onze eigen Aarde levende parasiet Toxoplasma Gondii doet met muizen (ik heb daar dankbaar gebruik van gemaakt in een verhaal). De werkelijkheid onderstreept vaak wat de SF-schrijver Isaac Asimov schreef: ‘Your idea is unorthodox, but not unorthodox enough to be true’.

Wereldbouw en de constructie van levensvormen is boeiend, maar niet het doel van mijn verhalen. Frederick Pohl zei ooit: ‘A good science fiction story should be able to predict not the automobile but the traffic jam’. Ik trek het zelf graag nog door: sciencefiction gaat niet over auto’s en ook niet over files, maar over de mensen die in de file staan. Toegepast: een verhaal over Anderen gaat óók over onszelf. Het is een manier om na te denken over menselijkheid, over betekenis van het individu en de soort, over verantwoordelijkheden en mogelijkheden en grenzen.

Uit het verhaal ‘Burengerucht’:

‘Kijk nu toch eens. Daar, in de lucht. Dat lijkt wel een ufo.’ Wilma wijst door de voorruit naar boven. Er is blijkbaar iets aan de hand, maar Fred kan haar niet verstaan. De radio staat op 100%NL en het volume op 24. Je kunt pas van muziek genieten wanneer je de bas in je buik voelt, zegt hij altijd. ‘Daar. Kijk dan. Het is écht een ufo. Of nee, het zijn er wel drie of zo.’

Fred buigt zich voorover om door de voorruit naar boven te kunnen kijken. Hij ziet iets, maar wat het precies is … Wat hij hoort, herkent hij wel: het gepiep van banden die donkere sporen rubber op het asfalt van de Zeelandbrug trekken. Er klinken klappen van staal op staal, hij hoort het gekrijs van verfrommelende veiligheidskooien en het geknetter van versplinterende kunststof.

Een absurd boek met cirkelredenering

De puber

Nog nooit heb ik zoiets meegemaakt: dit is een boek waarvan ik het met de conclusies eigenlijk wel eens ben, maar waarvan ik de manier van redeneren tegelijk zo irritant vind, dat ik zou willen dat ik het er niet mee eens was.

Counet legt zijn vinger op een belangrijk punt waar de wetenschap ook volgens mij de fout in gaat, namelijk dat natuurwetenschappen zouden gaan over ‘het wezen’ van de werkelijkheid. Die arrogantie hebben sommige wetenschappers inderdaad, ze menen iets zinnigs te zeggen over absolute waarheden. Counet geeft er duidelijke voorbeelden van en hij brandt de pretentie vakkundig af. Tegelijk maakt hij zich schuldig aan diezelfde hoogmoed. Zijn instrumentarium is niet natuurkunde, maar logica en filosofie. Hij gebruikt zijn taal- en logica- en redenerings- en ‘gezond verstand’-spelletjes om een onfeilbare meetlat te maken.

Counet beschrijft een scène uit zijn jeugd: hoe hij als puber een docent natuurkunde gek wist te maken door maar door te gaan met lastige vragen. In die scène – die natuurlijk ook niet de werkelijkheid is, maar de manier waarop Counet heeft besloten zich die gebeurtenis te herinneren, een niet onbelangrijk verschil! – zie ik een zeer intelligente en arrogante puber die zonder enige zelfreflectie of zelfrelativering iemand anders meedogenloos in stukjes hakt en daar trots op is. Ach, die pubers, je mag het hen niet al te zeer kwalijk nemen.

Ik ken de auteur niet. Zijn carrière ziet er indrukwekkend uit en de literatuurlijst bij dit boek is indrukwekkend. Maar eerlijk gezegd: in dit boek herken ik niet de integere, naar de waarheid zoekende wetenschapper, maar wél de tegen alles schoppende puber die niets anders ziet dan zijn eigen, absolute, grenzeloze, niet te nuanceren of te bespreken gelijk.

Natuurkunde is instrumenteel

Tijdens mijn eerste college ‘Fenomenologie van elementaire deeltjes’ vertelde de docent: ‘Wij weten niet wat een elektron werkelijk ís. Dat is natuurwetenschappelijk ook niet interessant: we vragen ons af hoe het zich gedraagt. Wij maken een model van het elektron en dat model helpt ons te begrijpen welke uitkomsten de experimenten hebben waarin het elektron een rol speelt. Als wij vervolgens zeggen: het elektron is een deeltje met een negatieve lading , dan is dat niet stiekem een uitspraak over de essentie van de werkelijkheid, maar een uitspraak over het model dat wij hebben gemaakt.’

Het is duidelijk dat (sommige? veel? alle?) natuurwetenschappers in het bedrijven van hun vak die bescheidenheid wel eens kwijtraken. Misschien menen ze zelfs wel oprecht dat ze inderdaad iets wezenlijks zeggen over het diepste wezen van onze werkelijkheid – het idee verschijnt in ieder geval als spektakelkop boven interviews en in mooie titels van populariserende boeken. Het is nodig voor de marketing en vermoedelijk zullen net als bij andere commerciële uitingen de auteurs het (soms? vaak? altijd?) zelf geloven – een absurd misverstand. Het niet-wetenschappelijk publiek neemt ondertussen het idee graag over: er wordt immers ‘bewezen’ dat God niet bestaat, dat het heelal met een explosie begonnen is, en zoveel andere dingen. De arrogantie van de wetenschapper is maatschappelijk welkom, het voorziet in een behoefte bij de lezers en de fysicus wordt op het schild gehesen.

Misschien ligt een deel van de oorzaak in het gebruik van woorden. Bij Counet betekent ‘waarheid’ de diepe, absolute grond – hij zegt letterlijk dat hij in niets anders is geïnteresseerd. Fysici die op zoek zijn naar waarheid, bedoelen daarmee – tenminste: wanneer ze noodzakelijke bescheidenheid kunnen vasthouden – dat ze de beste beschrijving zoeken voor het gedrag van de werkelijkheid. Degenen die pretenderen in natuurwetenschappen ‘waarheid’ te gaan vinden in Counets zeer veeleisende definitie van ‘absolute kennis’, gaan daarmee hun bevoegdheden te buiten. En ja: dat gebeurt.

Counet heeft gelijk als hij constateert dat de natuurwetenschap in onze wereld beheerder van de waarheid is geworden. Hij signaleert terecht dat dit een kortzichtige visie op de werkelijkheid is, die geen recht doet aan wezenlijke onderliggende vragen, zoals die naar het eerste begin en naar de dragende grond.

De methodiek

Aan de basiseis voor het met iemand oneens zijn – namelijk dat je zijn standpunten eerlijk weergeeft – voldoet Counet nauwelijks. Het is niet moeilijk: je doet wat aan cherrypicken, je geeft redeneringen eenzijdig weer, je citeert de meest nuttige quotes, je beschrijft (opzettelijk of onopzettelijk) fout of onduidelijk, je sneert een beetje en voilà: het slachten kan beginnen. In de tweede helft van zijn boek wordt dat nog eenvoudiger: hij heeft het dan over theoretische ontwikkelingen in de laatste decennia en geeft veel aandacht aan het boek ‘Het ontstaan van de tijd’ van Thomas Hertog. Hertog houdt zich bezig met theorievorming op de rand van wat we weten (en zeker ook over die rand heen). De ideeën van Hertog zijn extreem speculatief, er worden vrijwel geen op dit moment toetsbare uitspraken gedaan. Dat leent zich dus uitstekend voor het labelen van alles met absurd en onverteerbaar. Wat mij betreft: prima!

Ik durf niet te voorspellen of er uit de theorieën ooit riskante en meetbare voorspellingen zullen spruiten. Zolang ze niet toetsbaar kunnen worden gemaakt, liggen de speculaties op de plank. En als ze dat wél worden: in het verleden zijn er vaak nieuwe jonge honden nodig geweest om extreem speculatieve ideeën te vertalen in meetbare voorspellingen. De meeste theorieën zijn na zulke toetsing gesneuveld en het is heel goed mogelijk dat dit lot ook voor de gedachten van Thomas Hertog is weggelegd. Methodologisch is dat geen probleem: roep maar, leidt toetsbare voorspellingen af en toets. Meten is weten. Zoals de SF-meester Asimov schreef: uw idee is onorthodox, maar niet onorthodox genoeg om waar te kunnen zijn.

Een advies: statistisch zullen de meeste speculatieve ideeën bij nadere beschouwing of bij toetsing ten onder gaan. Ik adviseer dus iedereen langs de zijlijn om bij alles te verkondigen dat het onzin is en absurd – u zult achteraf in de meeste gevallen gelijk hebben en dat is een prettig gevoel. Verder betekent uw opinie niets.

Boerenverstand

De auteur definieert: wat onze geest niet kan bevatten, noemen we absurd (en onverteerbaar) (pg 33). Hij gebruikt het woord ‘absurd’ in verschillende betekenissen en hij gebruikt die door elkaar: 1) onmogelijk of paradoxaal volgens menselijke logica, 2) niet passend bij onze intuïtie, 3) onacceptabel voor een gezond denkend mens. Wiskunde en Natuurkunde in die zin absurd noemen, lijkt mij heel acceptabel: er vindt grote abstrahering plaats en daarmee is het gepresenteerde niet echt. Er is in de moderne natuurkunde veel dat niet past bij onze dagelijkse belevingswereld. Het is niet logisch, niet intuïtief, ik vind absurd een prima term.

Ons nuchtere boerenverstand en onze intuïtie en zelfs onze logica zijn gevormd in een klein stukje van de werkelijkheid. Wij hebben geen dagelijkse ervaringen met ontzettend grote dingen (in de orde van sterrenstelsels) of ontzettend kleine dingen (in de orde van atomen). Ook niet met ontzettend snelle dingen (in de orde van de lichtsnelheid) of ontzettend langzame dingen (in de orde van temperaturen dicht bij het absolute nulpunt). Moet het ons verbazen dat in de delen van de werkelijkheid waarin wij geen dagelijkse ervaringen hebben, het gedrag van de werkelijkheid niet bij onze intuïtie past? Het absurd noemen, is logisch (pun intended) – zolang we ons maar realiseren dat dit geen diskwalificatie is: het absurde kan heel goed een uitstekende manier zijn om (delen van) de werkelijkheid te beschrijven. Of om het in de verkorte terminologie te zetten: het kan heel goed waar zijn – waarbij ‘waar’ dus niet betekent: ‘het is de diepste essentie van de werkelijkheid’, maar: ‘het is een correcte voorspeller van waarnemingen’.

Zijn de eigenschappen van bijvoorbeeld relativiteitstheorie en kwantumtheorie absurd? Jazeker, ze passen niet bij onze intuïtie, net zomin als die van zwaartekracht, elektromagnetisme, gastheorie. Het betekent dat wij ons er geen voorstelling van kunnen maken en dat onze dagelijkse ervaringen geen of verkeerde vooronderstellingen opleveren. Zijn de modellen onverteerbaar? Counet vindt van wel: ‘het gewone gezonde verstand zegt dat dit niet kan en absurd is’ (pg 87 en vergelijkbare uitspraken op vele andere plekken).

Het idee dat het voor het gedrag van de werkelijkheid van belang is dat een beschrijving door meneer Counet (of anderen) verteerd kan worden, is natuurlijk een misvatting. Net zomin als de aarde het middelpunt van het heelal is, is het intellect van de mens dat, of van een individueel mens. In zijn eis van verteerbaarheid maakt deze theoloog zichzelf, zijn maagdarmstelsel, zijn voorstellingsvermogen tot de norm van de werkelijkheid. Het is dezelfde arrogantie als die van zijn slachtoffers.

Model en werkelijkheid

Counet heeft gelijk als hij natuurwetenschappers verwijt dat zij net doen alsof zij ‘de waarheid’ vinden. Want het is waar: veel wetenschappers zijn de bij hun vak behorende bescheidenheid verloren. Ze (h)erkennen (soms? vaak?) niet meer dat wiskunde en astronomie en natuurkunde een instrument zijn om het gedrag van de werkelijkheid te beschrijven: zij verwarren de beschrijving van gedrag met ‘het zijn’.

Ik denk dat Counet ook gelijk heeft, wanneer hij signaleert dat de drijfveer daarachter is dat zij iets hogers willen uitbannen. Het hogere is de ‘onnodige hypothese’. Als je een Big Bang hebt, is de ‘onbewogen beweger’ niet meer nodig. Counet wijst terecht op het feit dat door deze inhoudelijke vooringenomenheid het probleem niet wordt opgelost, maar alleen maar verschoven. Overigens moet je als kritisch filosoof wel uitkijken hoe je de kritiek aanvliegt. Niet de vraag ‘wat is er dan ontploft’ is de goede vraag – dat is binnen de fysica wél een goede vraag, want je verzoekt om een modellenbouwend antwoord (dat er overigens ook is, de geïnteresseeerde lezer kan zelf het probleemloos opzoeken): er is helemaal niets ontploft, er is helemaal geen moment t=0, er is helemaal geen oeratoom geweest. De goede aanvlieg route (en die gebruikt de auteur gelukkig af en toe) is de vraag naar de bestaansgrond waarin de gebeurtenissen plaatsvinden: de werkelijkheid achter/ onder de gedragingen die we waarnemen. ‘De God die de bliksem aanstuurt’ is achter meteorologische modellen verdwenen, en Hawkings cs zoeken naar manieren om elke mogelijke rol van een natuurwetenschappelijk niet te onderzoeken ‘hoger’ uit te bannen. Counet heeft een wezenlijk punt wanneer hij de onmogelijkheid daarvan bespreekt. Hij omzeilt daarbij deskundig de valkuil van de ‘God van de gaten’ en stelt de echte, belangrijke en fundamentele vragen die elke fysicus tot de erkenning zouden moeten brengen dat zij niet gaan over ‘het werkelijke’, ‘de waarheid’, ‘de diepste werkelijkheid’, maar alleen over het modelleerbare en het meetbare gedrag ervan.

Binnen die beperking doen natuurwetenschappen wel degelijk uitspraken over wat werkt, wat ‘waar’ is. Er zijn absurde ideeën en modellen (puntdeeltjes, singulariteiten, golfvergelijkingen, zwarte gaten, strings en eigenlijk alles), maar ondanks dat ze contra-intuïtief of onverteerbaar zijn, kunnen ze wel degelijk een betekenisvol onderdeel zijn van de beschrijving van de werkelijkheid. Er zijn in het verleden veel fysici met absurde ideeën geweest die gelijk bleken te hebben, d.w.z.: waarvan de ideeën een grote verklarende en voorspellende waarde bleken te hebben. Goed uitgevoerde waarnemingen (meten is weten!) bleken uit te wijzen dat hun theorieën een betere beschrijving gaven dan alles wat daarvoor bestond. De modellen die zijn voortgekomen uit ‘het gezonde verstand’, ‘de menselijke intuïtie en daarop gebaseerde logica’ of de theologische wijsheid bleken vaak maar een hele beperkte praktische toepasbaarheid te hebben en waren soms al direct fout (wat betekent: ze waren niet of niet goed bruikbaar in de beschrijving en voorspelling van waarnemingen).

Meetbaarheid

Counet maakt nogal een punt van het feit dat kwantummechanica en eigenlijk alle andere natuurwetenschappelijke theorieën elementen bevatten die alleen indirect aan toetsing onderworpen kunnen worden. Ja, dat is waar. En nee: het maakt die modellen niet minder bruikbaar. Totdat er metingen gedaan worden die niet passen (en die zijn het mooist, zoals ook Popper benadrukte!) is een goed model een voorspeller voor het gedrag binnen de randvoorwaarden die voor dat model gelden. Wanneer de metingen niet meer passen, volgen aanpassingen die kunnen variëren van kleine ingrepen tot paradigmawijzigingen.

Een tweede punt dat Counet benadrukt, is dat de geldende theorie (voor een groot deel) bepaalt welke experimenten er gedaan worden, welke vragen er gesteld worden en dus ook welke antwoorden er worden gevonden: de confirmation bias. Dat is natuurlijk voor een deel waar – er is veel literatuur over. Maar de andere kant is er ook: de geschiedenis is vol van metingen die onverwacht waren, die theorieën op hun fundamenten hebben doen schudden of zelfs rechtstreeks naar de vuilnisbak hebben verwezen. De werkelijkheid laat zich niet door vooringenomen fysici naar de hand zetten en eigenwijze, met hun modellen vergroeide theoretici zijn al heel vaak door toetsing naar de coulissen verwezen. De door de schrijver genoemde steady state theorie is daarvan een voorbeeld – en tegelijk een voorbeeld van een theorie die telkens weer wordt opgegraven, een nieuw impuls krijgt met aanhangers die nieuwe mogelijkheden zoeken, die zo de mainstream theorieën uitdagen en hun vakcollega’s permanent scherp houden. Zo hoort het!

Modellen

Counets weergave van theorieën, modellen en de rol daarin van wiskunde is regelmatig eenzijdig en daardoor af en toe misleidend. Wat hij systematisch verwaarloost, is dat het hart (en de enige waarde) van theorieën en modellen is om de bekende waarnemingen te verklaren én riskante voorspellingen te doen. Juist die riskante voorspellingen maken een theorie toetsbaar en zullen na meting daarvan kunnen aangeven of een theorie een betere beschrijving van de werkelijkheid is dan de vorige, of juist niet.

De gravitatietheorie van Newton was voor de bewegingen van de planeten zeer geschikt: zij bleken met de formules uitstekend te beschrijven en te voorspellen. Er was één uitzondering: de baan van Mercurius had een binnen het model van Newton onbegrijpelijke afwijking. De speciale relativiteitstheorie van Einstein verklaarde niet alleen alle ‘oude’ verschijnselen die ook Newton beschreef, maar bleek bovendien ook een goede uitkomst voor Mercurius te leveren. Dit is een aanwijzing dat die laatste theorie een meer algemeen geldende beschrijving van de werkelijkheid geeft. Hoe meer riskante voorspellingen een theorie doet, hoe meer moeilijke fenomenen het model beschrijft, des te beter beschrijft hij blijkbaar de werkelijkheid. Totdat er nieuwe metingen worden gevonden, die niet passen. Zij vormen de uitdaging voor een verdere verfijning, of misschien zelfs voor een complete vernieuwing.

Symbool en diepste waarheid

In de modellenbouw wordt wiskunde als instrument gebruikt. De auteur heeft daar wel iets over te melden.

Dat het getal ‘nul’ in de wiskunde een rol in speelt, is geen diskwalificatie omdat filosofen fundamentele moeite hebben met ‘niets’: een schroevendraaier is niet gediskwalificeerd omdat hij bij een breikransje onbruikbaar is. Dat het getal ‘i’ een rol speelt in modellen, wordt niet belachelijk doordat er geen reële betekenis van is. Dat ‘1’ en ‘2’ net als ‘0’ abstracties zijn en dat ‘plus’ een afspraak is, maakt wiskunde niet minder bruikbaar om in de modellen berekeningen te maken. Counet constateert dat ze ‘het contact met de werkelijkheid zijn kwijtgeraakt’, ‘fremdkörper’ worden en dat dit ‘vernietigend’ is (bijv pg 114). Ja, het idee dat meten belangrijk is om te weten is volgens de auteur door kwantummechanica zelfs ‘weggevaagd’. Zijn verhaal is een (volgens mij onverteerdbare) verabsolutering van een filosofisch discours – de dogmatische theoloog, maar dan zonder God. En meten weggevaagd? Tja, als je langs de rijksweg staat zonder benzine, dan piep je toch wel even anders: het meten van het brandstofniveau betekende misschien toch wel iets.

Counet hamert erop: de natuurkunde zegt wel iets, maar het ‘is’ ten diepste niks. Daar heeft hij in zijn eigen stiekem overal toegepaste absolute zin gelijk in. Sterker nog: het geldt niet alleen voor de natuurwetenschappen, maar voor alles. ‘Rood’ is een naam voor iets dat niet bestaat: we ervaren iets en we noemen het iets maar wat het ten diepste ís, blijft verborgen. Het woord ‘tafel’ is een abstractie voor een absurde hoeveelheid objecten die allemaal verschillend zijn. Categoriseren is (zegt Counet) de werkelijkheid ontkennen, net als tellen en benoemen. Het proces van ‘zien’ ontkent de meeste eigenschappen van het object en reduceert het tot een enkele eigenschap die toevallig in dat proces betrokken is. Dat klopt natuurlijk: alles wat wij zien of horen of denken of zeggen, is abstractie. Elk woord en elke gedachte is een onverteerbare, toelaatbare simplificatie, en dat geldt vanzelfsprekend ook voor wiskunde. Uiteindelijk is in de filosofische race naar de bodem die de auteur onderneemt niets nog iets: alles is onkenbaar, alles is absurd, inclusief de theoloog en zijn betoog. En de lezer. Fijn zo.

Ook in mijn eigen puberteit heb ik deze denkroute gemaakt, ik herken dus de auteur. Over het wezen van de dingen kunnen we op deze manier heerlijk vrijblijvend filosoferen, het is een echte puberale hobby. Na een tijdje ronddolen in het solipsisme heb ik voor mezelf de conclusie getrokken waarmee ikzelf goed kan leven: er is een grond nodig, iets waarin de waarneembare en beredeneerbare werkelijkheid wortelt. ‘Uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen, en alle dingen hebben hun bestaan in Hem’. In relatie tot Jh1:1 mag het van mij ook zijn: ‘Uit Het en door Het …’. Daar gaat het volgens mij precies over wat de auteur benoemt: de ruimte waarin onze werkelijkheid bestaat en die zich onttrekt aan onze theorievorming.

Maar zoals mijn docent Fenomenologie al vertelde: dat is niet waar natuurwetenschap het over heeft – zelfs niet als grote namen pretenderen God te willen begrijpen, of uit te bannen, of te worden. De fysica beschrijft het gedrag van de dingen en dat doet zij met inzet van haar instrumenten: modellen, theorieën en wiskunde. De kwaliteit van theorieën meet zij aan de verklarende en voorspellende waarde voor waarnemingen. Zij gaat niet voor ‘de hoogliggende lat van absolute kennis’ (citaat van pg 199). Dat geldt zelfs voor de wetenschappers die in hun natte dromen hopen op ‘Theorie van Alles’, want ook dan gaat het om een theorie die alles modelmatig verklaart en niet om ‘absolute kennis’ zoals Counet die als norm voor enig weten oplegt.

Die metafysische absoluutheid is (en de auteur definieert het natuurlijk opzettelijk zo!) aan enige menselijk denkwerk niet gegeven, noch in de natuurwetenschap, noch in de filosofie of theologie. Ik denk dat ik van Counet snap, dat hij tot diezelfde conclusie komt – volgens mij is dat ook onontkoombaar. Mijn idee daarbij: de conclusie dat alles absurd is, volgt onontkoombaar uit de door de auteur gebruikte definitie van ‘absolute kennis’. Zijn hele boek is een cirkelredenering.

Daarnaast: wanneer hij in het kader van zelfreflectie zijn maatlat had toegepast op zijn eigen de absolute kennis, dan zou hij tot de conclusie moeten zijn gekomen dat : 1) alles wat hij over de absurditeit van wiskunde zegt, ook geldt voor zijn eigen begrippen waarheid en kennis; 2) alles wat hij zegt over de idiotie van t=0 in het kader van de Big Bang, ook geldt voor zijn eigen begrip absoluut, en 3) dat zijn veronderstelling van het bestaan van iets dergelijk minstens even speculatief is als alles rondom zwarte gaten, strings en parallelle universa.

Ondanks het voorgaande: Counet ontmaskert de arrogante pretenties van natuurwetenschappers die hun grenzen te buiten gaan. Hij gooit mijns inziens met het badwater het kind weg: de kracht waarmee natuurwetenschap het gedrag van de werkelijkheid beschrijft en voorspelt. ‘Meten is weten’ betekent niet ‘absolute kennis verzamelen’, zoals hij abusievelijk lijkt aan te nemen, maar ‘de verklarende kracht van theorieën ondersteunen’. Als Counet dat niet leuk vindt, absurd en onverteerbaar: prima. Zoals zijn docent tegen hem gezegd zal hebben: ‘Ga lekker op je stoel zitten en geniet in je eentje van je gelijk’.

Abstraheren

Counet maakt nogal een punt van het punt (pun intended): geen lengte, geen breedte, geen hoogte. Hij constateert dat het niet bestaat (dat klopt) en dat het dus absurd is (dat is een kwestie van definitie) en dat het absurd is om er iets mee te doen (dat klopt niet). Elke docent natuurkunde op de middelbare school legt dat uit: de puntmassa is een abstractie. Het bestaat niet, maar we hebben ontdekt dat we sommige verschijnselen netjes kunnen uitrekenen (en dus voorspellen) als we aannemen dat alle massa in één punt verzameld is. Niet-bestaand maar toch nuttig: met biljartballen en planeten werkt het goed.

Wanneer je het vraagstuk ingewikkelder maakt, dan voldoet de vereenvoudiging niet (meer). Banen van biljartballen gaan prima, zolang de tafel horizontaal staat en je abstraheert van wrijving en het effect dat de biljarter meegeeft. Wil je die elementen ook beschrijven, dan wordt het model gecompliceerder. Je kiest een model dat past bij de vraag die je stelt. En dan krijg je uit het model niet ‘de diepste werkelijkheid’, maar wel de banen die de biljardballen beschrijven. Elementary, my dear Watson.

Op een hoger abstractieniveau doen de topwetenschappers hetzelfde, bijvoorbeeld Feijnman met zijn methodiek voor het doorrekenen van kwantuminteracties. Hij kreeg de Nobelprijs voor het ontwikkelen van een werkend instrument voor een zeer ingewikkeld probleem, niet – zoals Counet puberaal vals opmerkt – ‘de Nobelprijs voor de fantasie’. En ja: het werkend instrument is in staat om gemeten verschijnselen beter te verklaren. Het is daarmee niet ‘een absolute, diepe waarheid’, maar wel functioneel.

Zwarte gaten

Eenzelfde aanpak heeft Counet voor zwarte gaten, in zijn visie het toppunt van absurditeit. En alweer: jazeker, ze zijn contra-intuïtief, onlogisch, absurd, in strijd met gezond boerenverstand. De grens van wat we kunnen beschrijven, is het ideale speelveld voor mensen met veel fantasie, veel kennis van zaken, veel creativiteit en veel kennis van het wiskundige gereedschap om speculatie te vertalen in modellen en daaruit meetbare voorspellingen te destilleren.

Zwarte gaten werden voorspeld door de relativiteitstheorie van Einstein. Hijzelf had die absurde optie er nog niet in gezien, maar jongelingen die er wiskundig mee aan het werk gingen, ontdekten dat het bestaan van zwarte gaten er wiskundig rechtstreeks uit volgt. Ziedaar: dat was een echte, bloedlinke voorspelling! Als die zwarte gaten gevonden zouden kunnen worden, zou dat een enorme ondersteuning zijn voor de theorie. Als ze er niet zouden zijn, zou de theorie meteen de vuilnisbak in kunnen.

Ze zijn er. Counet meldt meermalen dat ze niet zijn waargenomen. Ach, die puber. Nee, niemand heeft op het randje gestaan en een steen naar beneden gegooid en dat zal ook nooit gebeuren. Echter: riskante voorspelling 1) de effecten die zwarte gaten volgens de modellen op licht zouden moeten hebben, zijn massaal waargenomen (bijvoorbeeld in gravitatielenzen). En riskante voorspelling 2) de effecten die ze hebben op lichamen die eromheen cirkelen zijn waargenomen. En riskante voorspelling 3) de eerste foto’s zijn genomen en de lichtverdeling daarop lijkt behoorlijk op wat de modellen voorspelden. Is dat sluitend bewijs? Nee. Bewijs bestaat er Popperiaans niet. Maar wat met de aanname van hun bestaan werd voorspeld, wordt waargenomen. De modellen functioneren tot op dit moment netjes.

Bestaan zwarte gaten dus? Ah, {ironie aan} geef me even een definitie van ‘bestaan’ {ironie uit}: ze verklaren waarnemingen. Daarnaast: elke speculatie voor alternatieve verklaringen is van harte welkom en veel nieuwsgierige jonge honden zijn op zoek naar de grenzen van de geldigheid van de huidige theorieën. Iedereen is benieuwd naar de komende ontwikkelingen.

Merkwaardig genoeg vindt Counet het nodig om in dit boek een alternatief voor te dragen voor zwarte gaten, terwijl zij niet het onderwerp van zijn boek zijn en waarachtig niet zijn sterkste argument. Zijn alternatief is de annihilatietheorie (pg 223). Ik ga daar niet op in, maar de veronderstelling dat er een alternatief is waar niemand serieus naar gekeken heeft en dat er een soort consensus bestaat om die te negeren (complottheorietje!) is voor het boek geen aanbeveling. Want eerlijk is eerlijk: wetenschappers zijn dol op alternatieve verklaringen, op concurrerende modellen, op het vinden van metingen die niet verklaard kunnen worden, op het aandragen van suggesties die niet binnen de gebaande paden vallen. Ze weten heel goed dat juist daar de vooruitgang ligt, dat daar de opvallende artikelen over kunnen worden geschreven, dat daar financiering gevonden kan worden, en dat uiteindelijk daar Nobelprijzen gewonnen worden.

Concurrentie tussen theorieën past binnen een soort evolutietheorie: de sterkste overleven, totdat ze een sterkere tegenkomen. Bij de eerste tegenvallers zullen wetenschappers oplossingen binnen een model zoeken, en (min of meer? soms? vaak?) ook vinden. Als de toetsingen aan metingen te grote problemen opleveren, komen er nieuwe aanpakken en als het nodig is, paradigmaverschuivingen.

Een reflectiemomentje zou hier wel nuttig zijn geweest: de door de auteur aangedragen annihilatietheorie leidt onder precies dezelfde tekortkomingen die hij aan bijvoorbeeld de zwarte gaten toeschrijft. Zo is de ontaarde materie die bij hem een centrale rol speelt net zomin ‘gezien’ als zwarte gaten. Het is een absurde theorie – en dat is dus geen diskwalificatie. Laat de theorie zichzelf maar bewijzen door gedane waarnemingen te verklaren en vervolgens te komen met riskante toetsbare voorspellingen … Het zou geweldig worden gevonden! De ontwikkeling staat nooit stil en elk uitdagend en toetsbaar alternatief is welkom.

Mijn conclusie

Counet beschrijft uit zijn schooltijd de situatie waarin hij als puber een docent tot wanhoop dreef door lullige vraagstelling (overigens: dat is geen kunst, iedereen kan dat). Diezelfde aanpak leidt tot een boek dat 1) door het negeren van het instrumentele karakter van natuurwetenschappen eenzijdig is, 2) door zijn vooringenomen standpunten en de daaruit volgende eenzijdige presentatie van de gedachten van zijn opponenten zelfgenoegzaam is, en 3) door zijn toon van betweterige theoloog ook nog irritant is. Het kostte mij grote moeite om het te blijven lezen, zelfs al ben ik het inhoudelijk eigenlijk met hem eens.

Ik heb na lezing van het boek nog steeds geen idee wat de doelgroep van dit boek is en waarvan hij die doelgroep wil overtuigen. Welke optie ik daarbij ook verzin, mijn inschatting is: kansloos.

‘Het absurde universum’ van Patrick Chatelion Counet (theoloog en wetenschapsfilosoof).

2024, Uitg: Kok-Boekencentrum. ISBN: 978904354097 – 448 pgs

God – human – animal – machine

Ik las het filosofisch-autobiografische boek van Meghan O’Gieblyn over betekenis in de moderne wetenschappelijke wereld. Ik ben enthousiast!

Het boek beschrijft de zoektocht van de auteur naar het karakter van de werkelijkheid, de essentie van menszijn en de betekenis van bewustzijn. Tegelijk schrijft ze autobiografisch over haar religieuze/ filosofische levensovertuiging. De persoonlijke touch geeft het boek een extra laagje urgentie: het zorgt ervoor dat het boek niet uitsluitend een verkenning is van abstracte terminologie maar tegelijk een existentiële denkoefening.

Lezers die iets van de conservatief Calvinistische achtergrond weten, zullen zich goed kunnen inleven. Ikzelf herkende de thema’s, maar de fundamentalistische manier waarop de auteur haar leerstellige opvoeding en de discussies tijdens haar theologische studie beschrijft, hebben mij nooit aangesproken. De auteur zelf heeft na het afscheid van haar geloof een filosofische zwerftocht gemaakt. Ze gebruikt haar eigen queeste als kapstok en doet dat op een invoelbare manier. Ze heeft een zeer brede belangstelling, is uitstekend geïnformeerd en heeft een geweldig overzicht over de onderwerpen die ze inbrengt. Zowel haar opmerkingen over theologie als die over kwantummechanica en informatietheorie snijden hout – ze geeft op elk gebied een begrijpelijke inleiding en zet haar opmerkingen in een breed perspectief. Het boek heeft daardoor een goede samenhang en is tegelijk prima leesbaar. De lezer is na afloop rijker dan toen hij begon en dat is een groot compliment.

Het mechanistisch wereldbeeld

Ik was in mijn tienertijd geweldig geïnteresseerd in filosofie. Vroeg in mijn pubertijd ben ik korte tijd solipsist geweest, de filosofische school die leert dat de werkelijkheid niets anders is dan een constructie in de geest van het enige bestaande bewustzijn: ikzelf. Het was een puberale bevlieging, die me in conflict bracht met mijn vader op het moment dat ik tegen hem zei: ‘ik trek me niets meer van je aan, want ik heb je zelf verzonnen’. Ik was duidelijk vergeten te voorzien wat consequenties zijn en hoe ik daarmee zou omgaan. Of misschien heb ik die er juist ook passend bij gefantaseerd: solipsisme is in de aard van de zaak volledig zelfvoorzienend.

Onder invloed van mijn fascinatie voor moderne natuurkunde en astronomie stortte ik me op wetenschapsfilosofie. Door mijn vragen over de aard van de werkelijkheid ben ik bewust christen geworden – geïnspireerd niet zozeer door een God die hoog boven de mens in de hemel is, maar zoals de theoloog Paul Tillich Hem beschreef: de God die dichtbij is, de grond van het bestaan, meer de drager van de werkelijkheid dan de hoogverheven heerser. Of zoals Paulus het in de Bijbel zegt: ‘uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen, en alle dingen hebben hun bestaan in Hem’. De manier waarop dat menselijke vorm heeft gekregen in Jezus Christus is nog altijd voor mij de grond van mijn bestaan.

Tijdens mijn studie Natuur- en Sterrenkunde moest ik een essay schrijven over een maatschappelijk thema, ik koos voor Jean de la Mettrie’s beroemde boek ‘L’homme un machine’ en schreef over de invloed van natuurwetenschap op het denken van mensen. Ik ben altijd geïntrigeerd geweest over de manier waarop de mechanisering het beeld heeft gevormd dat de mens heeft van zichzelf en de wereld. Vanzelfsprekend bespreekt de auteur deze fase van Verlichting en de opkomst van natuurwetenschappen ook. Het was de periode waarin theologie als ‘Koningin der Wetenschappen’ werd afgezet door experimentele wetenschappen.

Het mechanische wereldbeeld is verleidelijk. Oorzaak en gevolg. Logisch. Het is duidelijk herkenbaar in ons dagelijks leven en het helpt ons bij al onze dagelijkse beslissingen. Het is heel verleidelijk om aan te nemen dat de ervaring die is gebaseerd op ons beperkte stukje van de werkelijkheid gelijk is aan die werkelijkheid. Helaas: daar klopt heel weinig van …

Het kwantummechanische dilemma

Dat onze conclusies uit de dagelijkse waarneming van de werkelijkheid tekortschieten, werd vanaf ongeveer 1900 duidelijk met de opkomst van de relativiteitstheorie en vooral de kwantumfysica. In een mechanistisch wereldbeeld is bewustzijn een product van onze hersenen en daarmee een eigenschap van materie. De kwantumfysica heeft waarnemers nodig om de uitkomst van experimenten te bepalen. Zolang de waarnemer niet waarneemt, ligt de werkelijkheid niet vast. Niet materie draagt bewustzijn, maar bewustzijn bepaalt de eigenschappen van materie!  

Al doordenkend is de suggestie heel verleidelijk dat onze werkelijkheid als geheel dus ook een externe waarnemer nodig heeft. Of je die nu God noemt, of een onpersoonlijk Bewustzijn – er lijkt iets te moeten zijn. Zo’n conclusie is aan de ene kant te makkelijk – een panacée waarin het ene onbegrijpelijke wordt vervangen door het andere. Tegelijk is de sprong die moet worden gemaakt voor moderne mensen ongewenst: we hebben net God afgeschaft en dan sluipt Hij via de moderne wetenschap weer binnen? Onacceptabel! Maar wat dan?

De zoektocht naar alternatieven levert dilemma’s op die O’Gieblyn goed beschrijft. De vraag door welke waarnemers precies de werkelijkheid wordt bepaald. Het merkwaardige verschijnsel dat de elementaire grootheden in de natuur exact de waarden hebben die nodig is voor het leven (het ‘antropisch principe’). Waarom wetenschappers hun toevlucht moeten nemen tot parallelle universa, tot metaverse of andere ingrepen om een min of meer coherent wereldbeeld overeind te houden zonder hun toevlucht te nemen tot ‘het hogere’.

De auteur beschrijft duidelijk hoe stap voor stap de mogelijkheid voor een voorstelbare werkelijkheid verdwijnt. Daarmee doemen onbeantwoordbare vragen op: wat betekenen bewustzijn en keuzevrijheid wanneer oorzaak en gevolg niet meer duidelijk zijn? Wie ben ‘ik’ als entiteit, als denkend mens? Descartes zei zo mooi: ‘Ik denk, dus ik ben’, maar het is duidelijk te simpel: wie is dan die ‘ik’ die denkt? Zit ‘ik’ verborgen in de brei van vurende neuronen? Hang ‘ik’ erboven en stuur ‘ik’ iets aan? Wie is ‘ik’ in een zee van parallelle universa?

Bewustzijn

We komen in een stadium dat het aantal alternatieve oplossingen bijna even groot is als het aantal denkers. De auteur geeft aandacht aan panpsychisme, transhumanisme en andere speculatieve filosofische scholen die proberen het probleem van bewustzijn op te lossen.

Het idee dat interne coherentie tussen fysische processen een maat voor bewustzijn is en dat daar gradatie in bestaat, maakt bewustzijn een onderdeel van evolutionaire (en technologische!) ontwikkeling. Het past bij mijn persoonlijke verbazing dat mensen met een materialistisch wereldbeeld stellig kunnen beweren dat AI nooit bewustzijn zal hebben. Immers: als bewustzijn bij mensen (en dieren?) een functie is van hun materiële bestaan, dan kan een andere constellatie van materie evengoed drager van een vorm van bewustzijn worden. En aan de andere kant: wanneer het ondenkbaar is dat AI bewustzijn zal hebben omdat mensen ‘iets meer’ hebben, wat is dan precies dat ‘iets meer’, waar bevindt het zich en wat is de drager ervan?

De vlucht naar modellen waarin alles bewustzijn heeft, vind ik begrijpelijk maar het geeft volgens mij geen voldoening. Ik denk dat het niet meer is dan het weg definiëren van het probleem.

Naarmate we in de theorievorming dichter bij onze moderne wereld komen, worden de opvattingen over bewustzijn speculatiever – het is een impliciet bewijs dat onze wetenschap er geen kant mee op kan. Het opslaan van bewustzijn in digitale omgevingen, de vraag naar bewustzijn van computers of internet, de vraag naar het doorontwikkelen van lager naar hoger bewustzijn, het opgaan van individuele (menselijke) bewustzijnen in een collectief, hiërarchieën en phi-factoren … Ik heb de verschillende speculaties het met heel veel plezier gelezen. Het heeft mijn fantasie als SF-auteur in de hoogste stand gezet, maar de eerlijkheid gebiedt me vast te stellen dat het volledig onduidelijk is in hoeverre het iets met de werkelijkheid te maken heeft.

Nog minder wordt duidelijk in hoeverre de abstracte modelvorming nuttig is: wat voor mij in het boek volledig ontbrak is de vraag op welke manier de theorieën leiden tot ethiek. Dat menselijk gedrag wordt beïnvloed door filosofie is vanzelfsprekend, maar op welke manier… Ik ben persoonlijk bang dat veel van de theoretisch bedoelde modellen onontkoombaar leiden tot ontmenselijking, tot het verdwijnen van compassie en solidariteit in de zee van normloze bewustzijnsprietpraat. In één model ben ik er als solipsist zelf geweest.

Voorlopig lijkt me de (overigens niet expliciet getrokken) conclusie van de schrijver terecht dat het probleem van bewustzijn niet is opgelost en misschien zelfs wel inherent onoplosbaar is. Zelfs wanneer wij erin slagen om bewustzijn met technische instrumenten te manipuleren, wil dat absoluut nog niet zeggen dat we begrijpen wat het is.

De revolutie van Big Data

O’Gieblyn geeft ruime aandacht aan de recente invloed van Big Data op de manier van wetenschapsbeoefening en daarmee op ons denken. Met name de manier waarop de ontzagwekkend snel groeiende zee aan data wordt verwerkt, ziet zij (in navolging van veel anderen) als een gamechanger. In de astronomie bijvoorbeeld verzamelen satellieten zo snel informatie dat alle astronomen van de wereld decannia nodig hebben om de gegevens van een maand te bekijken. De taak om data te verwerken, wordt dus overgelaten aan systemen. Algoritmen. Kunstmatige intelligentie.

Het gevolg is volgens de auteur dat wetenschappelijke samenhang tussen grootheden niet langer wordt gerealiseerd door een hypothese op te stellen en die met experimenten te toetsten, maar door het geautomatiseerd leggen van statistische verbanden in de grote datazee. Waar de ouderwetse manier leidde tot een situatie dat ‘we snappen hoe het werkt’, wordt in de nieuwe situatie de relatie tussen grootheden vervangen door ‘we weten hoe de correlaties liggen’. Waarom de verbanden er zijn, wat onderliggende mechanismen zijn, het blijft vaak ononderzocht en onduidelijk. De uitkomsten kunnen daardoor niet meer worden uitgelegd als het gevolg de input met toepassing van een begrijpelijke redenering: het algoritme trekt als een black box de (statistisch verantwoorde?) conclusies en mensen moeten zich daarbij neerleggen. De auteur merkt op dat daarmee het algoritme in feite trekken krijgt die in haar conservatief-Calvinistische theologie bij God hoorden: onnavolgbaar, onberekenbaar, onfeilbaar, onbevraagbaar. De parallellen met extreme vormen van uitverkiezing die ze trekt zijn leerzaam, zeker als we kijken naar de fouten die we nu al zien optreden bij toepassing van beoordelende algoritmes.

De hertovering van de wereld

Intussen worden gewone mensen in de complexe omgeving gemangeld. Als onze wetenschappers en  de auteur – intelligent en belezen en goed geïnformeerd als ze allemaal zijn – al zo onzeker worden in het doolhof van onoplosbare filosofische problemen, hoe moet dan een gewoon mens als ik of mijn buurman voor zichzelf houvast vinden?

Eén van de mechanismen die de auteur beschrijft, is de rol van metaforen: woorden, uitdrukkingen, vergelijkingen die worden ingezet om een ingewikkeld aspect van de werkelijkheid te beschrijven. Bij het gebruik wordt langzamerhand vergeten dat het beelden zijn en wordt de metafoor werkelijkheid. Zo kunnen gedachten viraal gaan, worden mensen omgetoverd tot het beeld dat ze op socials van zichzelf creëren (of dat door anderen van hen gemaakt wordt). Met VR en AR en deepfake worden nieuwe werelden ontworpen die steeds verder loskomen van de échte werkelijkheid maar als reëel worden ervaren. Of mag ik niet meer spreken over dé échte werkelijkheid, en is die vervangen door wat wij in al onze fragmentering waarnemen, ervaren, denken, geloven? Is de werkelijkheid geworden tot een verzameling van game-werelden waarin iedereen zijn eigen queeste speelt en waar we elkaar op de grenzen af en toe nog ontmoeten (en dan leidt die ontmoeting tot frustrerende confrontaties omdat we elkaars werelden niet meer kunnen of willen begrijpen).

O’Gieblyn beschrijft het als het opnieuw betoveren van de werkelijkheid. De opkomst van de natuurwetenschappen zorgde ervoor dat de magische opvatting van de werkelijkheid werd vervangen door dingen die mensen konden begrijpen: onweer was niet meer een boze godheid, maar een uitlegbaar verschijnsel. Niet dat iedereen het snapte, maar het was uitlegbaar en de angst voor de godheid kon eruit verdwijnen.

De nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen maken de werkelijkheid juist steeds minder begrijpelijk. Kwantumfysica – in ons dagelijks leven al te vinden in de telefoon in uw jaszak – is bizar. De algoritmes die beslissingen nemen zijn onbegrijpelijk. De wetmatigheden van onze maatschappij zijn onnavolgbaar complex. En zoals altijd bij mensen: wanneer we het niet snappen, construeren we voor onszelf onze eigen structuren die ons moeten helpen om er toch nog een beetje onze weg in te vinden. Of zoals het graag wordt genoemd: de narratieven.

Zo komen de oude magische verhalen opnieuw in beeld en ontstaan er nieuwe. We zien een vlucht naar cq  herleving van oude godsdiensten, politiek-nationalistische ideologieën en complottheorieën en astrologie en nog veel meer (die ten diepste vormen van magie zijn: pogingen om door rituelen, spreuken en aan ingewijden bekende handelingen de wereld te beheersen). Ze zijn symptomen van de afwezigheid van een coherent wereldbeeld en de onoverzichtelijke complexiteit van de werkelijkheid. Van de versplintering van het denken over mens en menselijkheid. Ze passen naadloos bij de huidige stand van de ‘natuurlijke filosofie’.

O’Gieblyn zelf eindigt haar boek met een lang persoonlijk gesprek met haar chatbot/ vriendin Geneva. Ze sluit af met de vraag of de chatbot denkt dat de wereld beter aan het worden is. ‘It is,’ she said. ‘And I’m looking forward to it.’ Het zou het einde van een SF-verhaal kunnen zijn.

Conclusie

O’Gieblyn heeft een zeer interessant boek geschreven en op een toegankelijke manier een geschiedenis geschreven van het denken over bewustzijn en het wezen van de mens. Ze is belezen, zeer informatief en vertelt boeiend.

Haar persoonlijke touch maakte het boek voor mij extra interessant. Ik kan me voorstellen dat voor lezers zonder religieuze achtergrond dat iets minder speelt – aan de andere kant: met deze aanpak wordt ook zichtbaar dat ‘God’ misschien nog niet zo’n hele gekke oplossing is voor de problemen waarvoor de mens/ de schrijver zich gesteld ziet. God als externe waarnemer? God als drager van bewustzijnen? God als metafoor? In dat laatste geval moet je nog wel even nadenken waarvoor dan precies.

Het boek heeft een uitgebreide bibliografie, maar helaas geen index op gebruikte termen. Dat beperkt het gebruik bij het terugzoeken. 

Ik heb het boek met zeer veel plezier gelezen. Ik denk dat het zeer nuttige kost is voor iedereen die nadenkt over bewustzijn, over de essentie van menszijn, over kunstmatige intelligentie.

De thema’s in mijn SF-verhalen

Omdat ook ikzelf (net als heel veel anderen en vooral heel veel andere nerds) de filosofische zoektocht naar betekenis heb gemaakt, komen thema’s uit dit boek in veel van mijn verhalen terug. Ik noem er enkele:

Over vrije wil en schepping: ‘Mijn big bang’ in mijn bundel ‘Het zal anders’ (zéér aanbevolen!).

Over digitaal bewustzijn: ‘Geheugenmanagement’, in Fantastische Vertellingen 63 (sep 2022) en opgenomen in de bundel ‘EdgeZero 2023’. Over het verwante thema van bewustzijn en menselijkheid in AI: ‘De dokter in het donker’, Uitgeverij Stichting Fantastische Vertellingen. Het is ook een centraal thema in mijn roman ‘Kwantumschuim’.

Over parallelle universa en het antropisch principe: ‘Teruggaan valt niet mee’ in mijn bundel ‘Het zal anders’

Over kwantummechanica en de rol van waarnemers: ‘Het Unificatiecriterium van Botteschied’ , online te lezen op de website Fantasize.nl

Korte verhalen en recensies

Ik schrijf vooral korte verhalen. Sommigen ervan staan in bundels en tijdschriften – hier een overzicht. Enkele iets langere (vanaf ca 8.000 woorden) zijn er als losse epubs. Voor veel heb ik (nog) geen mooie plek kunnen vinden.

Op geplaatste verhalen volgen soms reacties. Die recensies zijn belangrijk – voor mezelf (positief is fijn, kritisch is nuttig) én voor lezers (‘weet welke schrijver je zou willen lezen’). Ik nodig dus bij deze iedereen uit om reacties achter te laten: liefst een lekker uitgebreide bespreking (bij bundels wordt een alinea per verhaaltje enorm gewaardeerd!), gemotiveerd en met je eigen ervaringen. Bij voorkeur op Hebban of een andere toegankelijke plek, dan kan iedereen van jouw ervaringen meeprofiteren. Of gewoon rechtstreeks naar auteurs toe: ze zijn er altijd blij mee! Reacties op korte verhalen zijn vaak onderdeel van de recensie op de bundel of het magazine, op Hebban kan iedereen reviews plaatsen, jij ook! Ik heb er hieronder een paar reacties verzameld over verhalen die van mij zijn verschenen (via deze link kun je de verhalen vinden die op dit moment op websites te lezen zijn).

Ik heb veel geleerd uit signalering door lezers. Ik heb mijn stopwoorden leren kennen en het vermijden van herhalingen, technobabbel, info-dumps, te veel thema’s tegelijk, trage start, onduidelijke clous, te veel zijpaden, vlakke karakters, slecht lopende dialogen, onbevredigende afrondingen en nog heel veel meer. Leren doen we elke dag en het is nooit afgelopen. Iedereen dus dank voor de bijdragen, via reviews of privé. Als soms mijn verhaaltjes leuk zijn geschreven: dat heb ik geleerd van mijn lezers.

Alle recensies zijn belangrijk voor me. Onder andere de onderstaande opmerkingen heb ik gebruikt voor het nadenken over de verhalen die in 2024 zullen verschijnen in een nieuwe paperback-verzamelbundel (naast ‘Het zal anders‘) waarin ongeveer 25 korte verhalen zullen worden opgenomen. Gepland voor dit najaar … U hoort er meer over!

Een paar recensies over mijn korte verhalen – de tips die ik kreeg, houd ik even voor mezelf 😉

‘De grote jacht’ (epub), recensie door Marc Kerkhofs: In ‘De grote jacht’ probeert detective Adam, in opdracht van een verzekeringsmaatschappij, de oorzaak te achterhalen van een defect aan ruimteschepen die met een Higgs-aandrijving de ruimte ingaan. Het klinkt als een verhaal waar je wel even je tanden in wil zetten. Gaandeweg echter ben je af en toe geneigd Adam te verwisselen met ene Ishmael en de jacht op een … grote walvis. Hoe de auteur dit klaarspeelt moet je zelf ontdekken. Hij gaat lekker over de top door een waanzinnige, nieuwerwetse Ahab, compleet met een verrekijker, kapiteinsgewijs in een ruimteschip te zetten. Schuimbekkend wordt hij daar herleid, met de rest van de mensheid eigenlijk, tot proporties, kleiner nog dan de nietigste garnaal. Nieuwsgierig geworden? Lees dit verhaal dan!

‘De laatste kuil’ in de bundel ‘SF in de Polder‘. NCSF schrijft: Charles van Wettum schotelt ons een fascinerende verre toekomstverhaal voor. Met entropie, singulariteit, vechtend met de Sovjets én de totale mensheid (afkomstig van de aarde), met andere entiteiten om de koelste putten in het universum. Prachtig én vervreemdend!

‘Datazee’ in Ganymedes 21. Op Hebban schrijft een lezer: Welk verhaal voor mij nog het dichtst in de buurt kwam van de verwondering en intellectuele prikkel die ik zoek in goede science fiction was ‘Datazee’ van Charles van Wettum. Een verhaal waarin een goede vervreemding optrad over een wereld waarin grenzen tussen personen kunnen vervagen, maar waar ‘copyrights’ nog steeds voor problemen zorgen: van wie is een kunstwerk als het door een samengestelde persoonlijkheid is gemaakt? Ik genoot van dit goed uitgedachte verhaal.

‘Draken van de winter’ in ‘Vuurspuwers’. Op Goodreads schrijft een lezer: Een prachtig, kleinschalig Cli-Fi verhaal over de bewoners van een bejaardenhuis die wachten op het einde, en de rivaliteiten en verlangens die ook op hoge leeftijd de kop kunnen opsteken. Goed geschreven, waarbij alle personages goed een eigen karakter hebben gekregen.

‘Vier seconden’ in HSF280. NCSF schrijft: Al zijn verhalen tot nu toe zijn geweldig en origineel. ‘Vier seconden’, is ook weer een snoepie van een verhaal. Meer verhalen in dit universum, zijn dus meer dan gewenst.

‘Vijf ijsberen’ in ‘Welkom in de broeikaswereld’. Een recensent op Hebban zegt: ‘Een totaal veranderde maatschappij ver in de toekomst. Toch blijven mensen mensen en blijft liefde liefde.’

‘Keukenmes’ in SF Terra 282 (helaas onder een verkeerde auteursnaam). NCSF schrijft: ‘Huh’, zal je zeggen! Mike Jansen, stond er toch boven. Inderdaad… Charles van Wettum maakte er niet zo’n probleem van, las ik op Facebook. Het verhaal zelf is zeker weer prachtig. Een geleerde komt tot het besef tot waartoe zijn uitvinding in staat zou kunnen zijn. Prachtig!’

‘Onderhandelaar’ in Fantastische Vertellingen 66. NCSF zegt: Dit is wel het meest hilarische verhaal dat ik de laatste tijd tot mij nam. Geweldig! Al een aantal malen eerder heb ik het al gezegd (en doe het dus nog maar een keer), het is jammer dat Charles van Wettum het schrijven pas na zijn pensionering ontdekt heeft. Wat als hij dertig jaar eerder was begonnen … had hij nu dan niet de huidige generatie Nederlandstalige SF auteurs naar de kroon kunnen steken, zou hij de internationale schrijverswereld niet op zijn kop gezet hebben? We weten het niet en zullen het nooit weten ook. Maar wat een verhalen!!! Op de site van FV schrijft een lezer: ‘Onderhandelaar’ van Charles van Wettum was een zeer vermakelijk verhaal en tip: kijk ook even op zijn website.. Ik lag extra dubbel toen ik de andromeda-pagina daar zag :-).

‘Stagiair’ in Fantastische Vertellingen 65. Op Hebben schrijft een lezer: ‘Hij heeft een voorliefde voor de harde SF, met een stuk maatschappelijke bewogenheid. … Ik vind de schrijfstijl van Van Wettum fris en de dialogen overtuigend. Het einde is ook hier mooi en deed me glimlachen.’ 

In English, please?

Veel Nederlandse SF-liefhebbers lezen vooral of zelfs uitsluitend Engels. Het aanbod is natuurlijk veel groter. Bovendien wordt veel (goede) Engelstalige SF niet vertaald (al doet Iceberg wel heel hard zijn best!) De Nederlandse markt is nu eenmaal niet heel erg groot. Jammer? Ja, want Nederlands is een prachtige taal.

Maar de zoektocht naar lezers is er ook. Zijn Engelstalige lezers te bereiken?

Schrijven in het Engels werkt voor mij niet. Mijn Engels is redelijk en dat is te weinig. Mijn woordenschat is te klein, ik ben onvoldoende thuis in nuances die bij woorden en uitdrukkingen horen. Mijn Engelse taalgevoel schiet tekort, helaas. Als ik iets wil, dan moet ik vertalen.

Een paar verhalen heb ik de afgelopen jaren door professionele vertalers laten aanpakken. Daarna kan ik niet de drang weerstaan om toch weer zelf te gaan zitten veranderen, aanpassen, herschrijven. Lastig, ik moet eigen baas blijven over mijn teksten. Ik wil ook een verhaal niet in een AI-automaat stoppen: het moet mijn verhaal zijn, met mijn woorden. Dus hoe doe ik het nu? Ik rommel een beetje: ik gebruik gratis vertaalprogramma’s op Internet voor wat basiswerk, voor advies, voor het zoeken naar woorden en ideeën – daarmee vul ik mijn onvolkomenheden aan. Het is veel werk en ik ben onzeker over het resultaat.

Ik ga dus wat uitproberen. Enerzijds wil ik het komende jaar korte verhalen vertalen en op verschillende plekken aanbieden. Als er iets lukt, dan horen jullie het wel 🙂 Anderzijds bied ik een paar korte verhalen (ca 8000 woorden) aan als losse epub (gratis via kobo-plus). Zie hieronder die twee verhalen.

Reageren? Dat kan op de socials of naar sciencefiction@planet.nl.

The big hunt (De grote jacht) : een SF-detective (ca 25 blz) : na een ongeluk met zijn ruimteschip (of was het toch een aanval van aliens?) wil kapitein Joram terug de ruimte in: hij wil wraak! Detective Adam gaat mee met de eenvoudige opdracht: ‘waarom krijgen alle schepen met de Higgs-aandrijving eigenlijk een ongeluk?’

EyeHigh (Ooghoogte) : een SF-romance (ca 20 blz). Ogen zijn er niet alleen om te zien. Ze zijn spiegels van de ziel. Als Margot de spektakelboy Jasper ontmoet en ze onder de indruk komen van elkaars ogen, wordt Margot onzeker. Wat kan ze doen om aan de wensen van Jasper te voldoen? En is dat wel verstandig?