
De puber
Nog nooit heb ik zoiets meegemaakt: dit is een boek waarvan ik het met de conclusies eigenlijk wel eens ben, maar waarvan ik de manier van redeneren tegelijk zo irritant vind, dat ik zou willen dat ik het er niet mee eens was.
Counet legt zijn vinger op een belangrijk punt waar de wetenschap ook volgens mij de fout in gaat, namelijk dat natuurwetenschappen zouden gaan over ‘het wezen’ van de werkelijkheid. Die arrogantie hebben sommige wetenschappers inderdaad, ze menen iets zinnigs te zeggen over absolute waarheden. Counet geeft er duidelijke voorbeelden van en hij brandt de pretentie vakkundig af. Tegelijk maakt hij zich schuldig aan diezelfde hoogmoed. Zijn instrumentarium is niet natuurkunde, maar logica en filosofie. Hij gebruikt zijn taal- en logica- en redenerings- en ‘gezond verstand’-spelletjes om een onfeilbare meetlat te maken.
Counet beschrijft een scène uit zijn jeugd: hoe hij als puber een docent natuurkunde gek wist te maken door maar door te gaan met lastige vragen. In die scène – die natuurlijk ook niet de werkelijkheid is, maar de manier waarop Counet heeft besloten zich die gebeurtenis te herinneren, een niet onbelangrijk verschil! – zie ik een zeer intelligente en arrogante puber die zonder enige zelfreflectie of zelfrelativering iemand anders meedogenloos in stukjes hakt en daar trots op is. Ach, die pubers, je mag het hen niet al te zeer kwalijk nemen.
Ik ken de auteur niet. Zijn carrière ziet er indrukwekkend uit en de literatuurlijst bij dit boek is indrukwekkend. Maar eerlijk gezegd: in dit boek herken ik niet de integere, naar de waarheid zoekende wetenschapper, maar wél de tegen alles schoppende puber die niets anders ziet dan zijn eigen, absolute, grenzeloze, niet te nuanceren of te bespreken gelijk.
Natuurkunde is instrumenteel
Tijdens mijn eerste college ‘Fenomenologie van elementaire deeltjes’ vertelde de docent: ‘Wij weten niet wat een elektron werkelijk ís. Dat is natuurwetenschappelijk ook niet interessant: we vragen ons af hoe het zich gedraagt. Wij maken een model van het elektron en dat model helpt ons te begrijpen welke uitkomsten de experimenten hebben waarin het elektron een rol speelt. Als wij vervolgens zeggen: het elektron is een deeltje met een negatieve lading , dan is dat niet stiekem een uitspraak over de essentie van de werkelijkheid, maar een uitspraak over het model dat wij hebben gemaakt.’
Het is duidelijk dat (sommige? veel? alle?) natuurwetenschappers in het bedrijven van hun vak die bescheidenheid wel eens kwijtraken. Misschien menen ze zelfs wel oprecht dat ze inderdaad iets wezenlijks zeggen over het diepste wezen van onze werkelijkheid – het idee verschijnt in ieder geval als spektakelkop boven interviews en in mooie titels van populariserende boeken. Het is nodig voor de marketing en vermoedelijk zullen net als bij andere commerciële uitingen de auteurs het (soms? vaak? altijd?) zelf geloven – een absurd misverstand. Het niet-wetenschappelijk publiek neemt ondertussen het idee graag over: er wordt immers ‘bewezen’ dat God niet bestaat, dat het heelal met een explosie begonnen is, en zoveel andere dingen. De arrogantie van de wetenschapper is maatschappelijk welkom, het voorziet in een behoefte bij de lezers en de fysicus wordt op het schild gehesen.
Misschien ligt een deel van de oorzaak in het gebruik van woorden. Bij Counet betekent ‘waarheid’ de diepe, absolute grond – hij zegt letterlijk dat hij in niets anders is geïnteresseerd. Fysici die op zoek zijn naar waarheid, bedoelen daarmee – tenminste: wanneer ze noodzakelijke bescheidenheid kunnen vasthouden – dat ze de beste beschrijving zoeken voor het gedrag van de werkelijkheid. Degenen die pretenderen in natuurwetenschappen ‘waarheid’ te gaan vinden in Counets zeer veeleisende definitie van ‘absolute kennis’, gaan daarmee hun bevoegdheden te buiten. En ja: dat gebeurt.
Counet heeft gelijk als hij constateert dat de natuurwetenschap in onze wereld beheerder van de waarheid is geworden. Hij signaleert terecht dat dit een kortzichtige visie op de werkelijkheid is, die geen recht doet aan wezenlijke onderliggende vragen, zoals die naar het eerste begin en naar de dragende grond.
De methodiek
Aan de basiseis voor het met iemand oneens zijn – namelijk dat je zijn standpunten eerlijk weergeeft – voldoet Counet nauwelijks. Het is niet moeilijk: je doet wat aan cherrypicken, je geeft redeneringen eenzijdig weer, je citeert de meest nuttige quotes, je beschrijft (opzettelijk of onopzettelijk) fout of onduidelijk, je sneert een beetje en voilà: het slachten kan beginnen. In de tweede helft van zijn boek wordt dat nog eenvoudiger: hij heeft het dan over theoretische ontwikkelingen in de laatste decennia en geeft veel aandacht aan het boek ‘Het ontstaan van de tijd’ van Thomas Hertog. Hertog houdt zich bezig met theorievorming op de rand van wat we weten (en zeker ook over die rand heen). De ideeën van Hertog zijn extreem speculatief, er worden vrijwel geen op dit moment toetsbare uitspraken gedaan. Dat leent zich dus uitstekend voor het labelen van alles met absurd en onverteerbaar. Wat mij betreft: prima!
Ik durf niet te voorspellen of er uit de theorieën ooit riskante en meetbare voorspellingen zullen spruiten. Zolang ze niet toetsbaar kunnen worden gemaakt, liggen de speculaties op de plank. En als ze dat wél worden: in het verleden zijn er vaak nieuwe jonge honden nodig geweest om extreem speculatieve ideeën te vertalen in meetbare voorspellingen. De meeste theorieën zijn na zulke toetsing gesneuveld en het is heel goed mogelijk dat dit lot ook voor de gedachten van Thomas Hertog is weggelegd. Methodologisch is dat geen probleem: roep maar, leidt toetsbare voorspellingen af en toets. Meten is weten. Zoals de SF-meester Asimov schreef: uw idee is onorthodox, maar niet onorthodox genoeg om waar te kunnen zijn.
Een advies: statistisch zullen de meeste speculatieve ideeën bij nadere beschouwing of bij toetsing ten onder gaan. Ik adviseer dus iedereen langs de zijlijn om bij alles te verkondigen dat het onzin is en absurd – u zult achteraf in de meeste gevallen gelijk hebben en dat is een prettig gevoel. Verder betekent uw opinie niets.
Boerenverstand
De auteur definieert: wat onze geest niet kan bevatten, noemen we absurd (en onverteerbaar) (pg 33). Hij gebruikt het woord ‘absurd’ in verschillende betekenissen en hij gebruikt die door elkaar: 1) onmogelijk of paradoxaal volgens menselijke logica, 2) niet passend bij onze intuïtie, 3) onacceptabel voor een gezond denkend mens. Wiskunde en Natuurkunde in die zin absurd noemen, lijkt mij heel acceptabel: er vindt grote abstrahering plaats en daarmee is het gepresenteerde niet echt. Er is in de moderne natuurkunde veel dat niet past bij onze dagelijkse belevingswereld. Het is niet logisch, niet intuïtief, ik vind absurd een prima term.
Ons nuchtere boerenverstand en onze intuïtie en zelfs onze logica zijn gevormd in een klein stukje van de werkelijkheid. Wij hebben geen dagelijkse ervaringen met ontzettend grote dingen (in de orde van sterrenstelsels) of ontzettend kleine dingen (in de orde van atomen). Ook niet met ontzettend snelle dingen (in de orde van de lichtsnelheid) of ontzettend langzame dingen (in de orde van temperaturen dicht bij het absolute nulpunt). Moet het ons verbazen dat in de delen van de werkelijkheid waarin wij geen dagelijkse ervaringen hebben, het gedrag van de werkelijkheid niet bij onze intuïtie past? Het absurd noemen, is logisch (pun intended) – zolang we ons maar realiseren dat dit geen diskwalificatie is: het absurde kan heel goed een uitstekende manier zijn om (delen van) de werkelijkheid te beschrijven. Of om het in de verkorte terminologie te zetten: het kan heel goed waar zijn – waarbij ‘waar’ dus niet betekent: ‘het is de diepste essentie van de werkelijkheid’, maar: ‘het is een correcte voorspeller van waarnemingen’.
Zijn de eigenschappen van bijvoorbeeld relativiteitstheorie en kwantumtheorie absurd? Jazeker, ze passen niet bij onze intuïtie, net zomin als die van zwaartekracht, elektromagnetisme, gastheorie. Het betekent dat wij ons er geen voorstelling van kunnen maken en dat onze dagelijkse ervaringen geen of verkeerde vooronderstellingen opleveren. Zijn de modellen onverteerbaar? Counet vindt van wel: ‘het gewone gezonde verstand zegt dat dit niet kan en absurd is’ (pg 87 en vergelijkbare uitspraken op vele andere plekken).
Het idee dat het voor het gedrag van de werkelijkheid van belang is dat een beschrijving door meneer Counet (of anderen) verteerd kan worden, is natuurlijk een misvatting. Net zomin als de aarde het middelpunt van het heelal is, is het intellect van de mens dat, of van een individueel mens. In zijn eis van verteerbaarheid maakt deze theoloog zichzelf, zijn maagdarmstelsel, zijn voorstellingsvermogen tot de norm van de werkelijkheid. Het is dezelfde arrogantie als die van zijn slachtoffers.
Model en werkelijkheid
Counet heeft gelijk als hij natuurwetenschappers verwijt dat zij net doen alsof zij ‘de waarheid’ vinden. Want het is waar: veel wetenschappers zijn de bij hun vak behorende bescheidenheid verloren. Ze (h)erkennen (soms? vaak?) niet meer dat wiskunde en astronomie en natuurkunde een instrument zijn om het gedrag van de werkelijkheid te beschrijven: zij verwarren de beschrijving van gedrag met ‘het zijn’.
Ik denk dat Counet ook gelijk heeft, wanneer hij signaleert dat de drijfveer daarachter is dat zij iets hogers willen uitbannen. Het hogere is de ‘onnodige hypothese’. Als je een Big Bang hebt, is de ‘onbewogen beweger’ niet meer nodig. Counet wijst terecht op het feit dat door deze inhoudelijke vooringenomenheid het probleem niet wordt opgelost, maar alleen maar verschoven. Overigens moet je als kritisch filosoof wel uitkijken hoe je de kritiek aanvliegt. Niet de vraag ‘wat is er dan ontploft’ is de goede vraag – dat is binnen de fysica wél een goede vraag, want je verzoekt om een modellenbouwend antwoord (dat er overigens ook is, de geïnteresseeerde lezer kan zelf het probleemloos opzoeken): er is helemaal niets ontploft, er is helemaal geen moment t=0, er is helemaal geen oeratoom geweest. De goede aanvlieg route (en die gebruikt de auteur gelukkig af en toe) is de vraag naar de bestaansgrond waarin de gebeurtenissen plaatsvinden: de werkelijkheid achter/ onder de gedragingen die we waarnemen. ‘De God die de bliksem aanstuurt’ is achter meteorologische modellen verdwenen, en Hawkings cs zoeken naar manieren om elke mogelijke rol van een natuurwetenschappelijk niet te onderzoeken ‘hoger’ uit te bannen. Counet heeft een wezenlijk punt wanneer hij de onmogelijkheid daarvan bespreekt. Hij omzeilt daarbij deskundig de valkuil van de ‘God van de gaten’ en stelt de echte, belangrijke en fundamentele vragen die elke fysicus tot de erkenning zouden moeten brengen dat zij niet gaan over ‘het werkelijke’, ‘de waarheid’, ‘de diepste werkelijkheid’, maar alleen over het modelleerbare en het meetbare gedrag ervan.
Binnen die beperking doen natuurwetenschappen wel degelijk uitspraken over wat werkt, wat ‘waar’ is. Er zijn absurde ideeën en modellen (puntdeeltjes, singulariteiten, golfvergelijkingen, zwarte gaten, strings en eigenlijk alles), maar ondanks dat ze contra-intuïtief of onverteerbaar zijn, kunnen ze wel degelijk een betekenisvol onderdeel zijn van de beschrijving van de werkelijkheid. Er zijn in het verleden veel fysici met absurde ideeën geweest die gelijk bleken te hebben, d.w.z.: waarvan de ideeën een grote verklarende en voorspellende waarde bleken te hebben. Goed uitgevoerde waarnemingen (meten is weten!) bleken uit te wijzen dat hun theorieën een betere beschrijving gaven dan alles wat daarvoor bestond. De modellen die zijn voortgekomen uit ‘het gezonde verstand’, ‘de menselijke intuïtie en daarop gebaseerde logica’ of de theologische wijsheid bleken vaak maar een hele beperkte praktische toepasbaarheid te hebben en waren soms al direct fout (wat betekent: ze waren niet of niet goed bruikbaar in de beschrijving en voorspelling van waarnemingen).
Meetbaarheid
Counet maakt nogal een punt van het feit dat kwantummechanica en eigenlijk alle andere natuurwetenschappelijke theorieën elementen bevatten die alleen indirect aan toetsing onderworpen kunnen worden. Ja, dat is waar. En nee: het maakt die modellen niet minder bruikbaar. Totdat er metingen gedaan worden die niet passen (en die zijn het mooist, zoals ook Popper benadrukte!) is een goed model een voorspeller voor het gedrag binnen de randvoorwaarden die voor dat model gelden. Wanneer de metingen niet meer passen, volgen aanpassingen die kunnen variëren van kleine ingrepen tot paradigmawijzigingen.
Een tweede punt dat Counet benadrukt, is dat de geldende theorie (voor een groot deel) bepaalt welke experimenten er gedaan worden, welke vragen er gesteld worden en dus ook welke antwoorden er worden gevonden: de confirmation bias. Dat is natuurlijk voor een deel waar – er is veel literatuur over. Maar de andere kant is er ook: de geschiedenis is vol van metingen die onverwacht waren, die theorieën op hun fundamenten hebben doen schudden of zelfs rechtstreeks naar de vuilnisbak hebben verwezen. De werkelijkheid laat zich niet door vooringenomen fysici naar de hand zetten en eigenwijze, met hun modellen vergroeide theoretici zijn al heel vaak door toetsing naar de coulissen verwezen. De door de schrijver genoemde steady state theorie is daarvan een voorbeeld – en tegelijk een voorbeeld van een theorie die telkens weer wordt opgegraven, een nieuw impuls krijgt met aanhangers die nieuwe mogelijkheden zoeken, die zo de mainstream theorieën uitdagen en hun vakcollega’s permanent scherp houden. Zo hoort het!
Modellen
Counets weergave van theorieën, modellen en de rol daarin van wiskunde is regelmatig eenzijdig en daardoor af en toe misleidend. Wat hij systematisch verwaarloost, is dat het hart (en de enige waarde) van theorieën en modellen is om de bekende waarnemingen te verklaren én riskante voorspellingen te doen. Juist die riskante voorspellingen maken een theorie toetsbaar en zullen na meting daarvan kunnen aangeven of een theorie een betere beschrijving van de werkelijkheid is dan de vorige, of juist niet.
De gravitatietheorie van Newton was voor de bewegingen van de planeten zeer geschikt: zij bleken met de formules uitstekend te beschrijven en te voorspellen. Er was één uitzondering: de baan van Mercurius had een binnen het model van Newton onbegrijpelijke afwijking. De speciale relativiteitstheorie van Einstein verklaarde niet alleen alle ‘oude’ verschijnselen die ook Newton beschreef, maar bleek bovendien ook een goede uitkomst voor Mercurius te leveren. Dit is een aanwijzing dat die laatste theorie een meer algemeen geldende beschrijving van de werkelijkheid geeft. Hoe meer riskante voorspellingen een theorie doet, hoe meer moeilijke fenomenen het model beschrijft, des te beter beschrijft hij blijkbaar de werkelijkheid. Totdat er nieuwe metingen worden gevonden, die niet passen. Zij vormen de uitdaging voor een verdere verfijning, of misschien zelfs voor een complete vernieuwing.
Symbool en diepste waarheid
In de modellenbouw wordt wiskunde als instrument gebruikt. De auteur heeft daar wel iets over te melden.
Dat het getal ‘nul’ in de wiskunde een rol in speelt, is geen diskwalificatie omdat filosofen fundamentele moeite hebben met ‘niets’: een schroevendraaier is niet gediskwalificeerd omdat hij bij een breikransje onbruikbaar is. Dat het getal ‘i’ een rol speelt in modellen, wordt niet belachelijk doordat er geen reële betekenis van is. Dat ‘1’ en ‘2’ net als ‘0’ abstracties zijn en dat ‘plus’ een afspraak is, maakt wiskunde niet minder bruikbaar om in de modellen berekeningen te maken. Counet constateert dat ze ‘het contact met de werkelijkheid zijn kwijtgeraakt’, ‘fremdkörper’ worden en dat dit ‘vernietigend’ is (bijv pg 114). Ja, het idee dat meten belangrijk is om te weten is volgens de auteur door kwantummechanica zelfs ‘weggevaagd’. Zijn verhaal is een (volgens mij onverteerdbare) verabsolutering van een filosofisch discours – de dogmatische theoloog, maar dan zonder God. En meten weggevaagd? Tja, als je langs de rijksweg staat zonder benzine, dan piep je toch wel even anders: het meten van het brandstofniveau betekende misschien toch wel iets.
Counet hamert erop: de natuurkunde zegt wel iets, maar het ‘is’ ten diepste niks. Daar heeft hij in zijn eigen stiekem overal toegepaste absolute zin gelijk in. Sterker nog: het geldt niet alleen voor de natuurwetenschappen, maar voor alles. ‘Rood’ is een naam voor iets dat niet bestaat: we ervaren iets en we noemen het iets maar wat het ten diepste ís, blijft verborgen. Het woord ‘tafel’ is een abstractie voor een absurde hoeveelheid objecten die allemaal verschillend zijn. Categoriseren is (zegt Counet) de werkelijkheid ontkennen, net als tellen en benoemen. Het proces van ‘zien’ ontkent de meeste eigenschappen van het object en reduceert het tot een enkele eigenschap die toevallig in dat proces betrokken is. Dat klopt natuurlijk: alles wat wij zien of horen of denken of zeggen, is abstractie. Elk woord en elke gedachte is een onverteerbare, toelaatbare simplificatie, en dat geldt vanzelfsprekend ook voor wiskunde. Uiteindelijk is in de filosofische race naar de bodem die de auteur onderneemt niets nog iets: alles is onkenbaar, alles is absurd, inclusief de theoloog en zijn betoog. En de lezer. Fijn zo.
Ook in mijn eigen puberteit heb ik deze denkroute gemaakt, ik herken dus de auteur. Over het wezen van de dingen kunnen we op deze manier heerlijk vrijblijvend filosoferen, het is een echte puberale hobby. Na een tijdje ronddolen in het solipsisme heb ik voor mezelf de conclusie getrokken waarmee ikzelf goed kan leven: er is een grond nodig, iets waarin de waarneembare en beredeneerbare werkelijkheid wortelt. ‘Uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen, en alle dingen hebben hun bestaan in Hem’. In relatie tot Jh1:1 mag het van mij ook zijn: ‘Uit Het en door Het …’. Daar gaat het volgens mij precies over wat de auteur benoemt: de ruimte waarin onze werkelijkheid bestaat en die zich onttrekt aan onze theorievorming.
Maar zoals mijn docent Fenomenologie al vertelde: dat is niet waar natuurwetenschap het over heeft – zelfs niet als grote namen pretenderen God te willen begrijpen, of uit te bannen, of te worden. De fysica beschrijft het gedrag van de dingen en dat doet zij met inzet van haar instrumenten: modellen, theorieën en wiskunde. De kwaliteit van theorieën meet zij aan de verklarende en voorspellende waarde voor waarnemingen. Zij gaat niet voor ‘de hoogliggende lat van absolute kennis’ (citaat van pg 199). Dat geldt zelfs voor de wetenschappers die in hun natte dromen hopen op ‘Theorie van Alles’, want ook dan gaat het om een theorie die alles modelmatig verklaart en niet om ‘absolute kennis’ zoals Counet die als norm voor enig weten oplegt.
Die metafysische absoluutheid is (en de auteur definieert het natuurlijk opzettelijk zo!) aan enige menselijk denkwerk niet gegeven, noch in de natuurwetenschap, noch in de filosofie of theologie. Ik denk dat ik van Counet snap, dat hij tot diezelfde conclusie komt – volgens mij is dat ook onontkoombaar. Mijn idee daarbij: de conclusie dat alles absurd is, volgt onontkoombaar uit de door de auteur gebruikte definitie van ‘absolute kennis’. Zijn hele boek is een cirkelredenering.
Daarnaast: wanneer hij in het kader van zelfreflectie zijn maatlat had toegepast op zijn eigen de absolute kennis, dan zou hij tot de conclusie moeten zijn gekomen dat : 1) alles wat hij over de absurditeit van wiskunde zegt, ook geldt voor zijn eigen begrippen waarheid en kennis; 2) alles wat hij zegt over de idiotie van t=0 in het kader van de Big Bang, ook geldt voor zijn eigen begrip absoluut, en 3) dat zijn veronderstelling van het bestaan van iets dergelijk minstens even speculatief is als alles rondom zwarte gaten, strings en parallelle universa.
Ondanks het voorgaande: Counet ontmaskert de arrogante pretenties van natuurwetenschappers die hun grenzen te buiten gaan. Hij gooit mijns inziens met het badwater het kind weg: de kracht waarmee natuurwetenschap het gedrag van de werkelijkheid beschrijft en voorspelt. ‘Meten is weten’ betekent niet ‘absolute kennis verzamelen’, zoals hij abusievelijk lijkt aan te nemen, maar ‘de verklarende kracht van theorieën ondersteunen’. Als Counet dat niet leuk vindt, absurd en onverteerbaar: prima. Zoals zijn docent tegen hem gezegd zal hebben: ‘Ga lekker op je stoel zitten en geniet in je eentje van je gelijk’.
Abstraheren
Counet maakt nogal een punt van het punt (pun intended): geen lengte, geen breedte, geen hoogte. Hij constateert dat het niet bestaat (dat klopt) en dat het dus absurd is (dat is een kwestie van definitie) en dat het absurd is om er iets mee te doen (dat klopt niet). Elke docent natuurkunde op de middelbare school legt dat uit: de puntmassa is een abstractie. Het bestaat niet, maar we hebben ontdekt dat we sommige verschijnselen netjes kunnen uitrekenen (en dus voorspellen) als we aannemen dat alle massa in één punt verzameld is. Niet-bestaand maar toch nuttig: met biljartballen en planeten werkt het goed.
Wanneer je het vraagstuk ingewikkelder maakt, dan voldoet de vereenvoudiging niet (meer). Banen van biljartballen gaan prima, zolang de tafel horizontaal staat en je abstraheert van wrijving en het effect dat de biljarter meegeeft. Wil je die elementen ook beschrijven, dan wordt het model gecompliceerder. Je kiest een model dat past bij de vraag die je stelt. En dan krijg je uit het model niet ‘de diepste werkelijkheid’, maar wel de banen die de biljardballen beschrijven. Elementary, my dear Watson.
Op een hoger abstractieniveau doen de topwetenschappers hetzelfde, bijvoorbeeld Feijnman met zijn methodiek voor het doorrekenen van kwantuminteracties. Hij kreeg de Nobelprijs voor het ontwikkelen van een werkend instrument voor een zeer ingewikkeld probleem, niet – zoals Counet puberaal vals opmerkt – ‘de Nobelprijs voor de fantasie’. En ja: het werkend instrument is in staat om gemeten verschijnselen beter te verklaren. Het is daarmee niet ‘een absolute, diepe waarheid’, maar wel functioneel.
Zwarte gaten
Eenzelfde aanpak heeft Counet voor zwarte gaten, in zijn visie het toppunt van absurditeit. En alweer: jazeker, ze zijn contra-intuïtief, onlogisch, absurd, in strijd met gezond boerenverstand. De grens van wat we kunnen beschrijven, is het ideale speelveld voor mensen met veel fantasie, veel kennis van zaken, veel creativiteit en veel kennis van het wiskundige gereedschap om speculatie te vertalen in modellen en daaruit meetbare voorspellingen te destilleren.
Zwarte gaten werden voorspeld door de relativiteitstheorie van Einstein. Hijzelf had die absurde optie er nog niet in gezien, maar jongelingen die er wiskundig mee aan het werk gingen, ontdekten dat het bestaan van zwarte gaten er wiskundig rechtstreeks uit volgt. Ziedaar: dat was een echte, bloedlinke voorspelling! Als die zwarte gaten gevonden zouden kunnen worden, zou dat een enorme ondersteuning zijn voor de theorie. Als ze er niet zouden zijn, zou de theorie meteen de vuilnisbak in kunnen.
Ze zijn er. Counet meldt meermalen dat ze niet zijn waargenomen. Ach, die puber. Nee, niemand heeft op het randje gestaan en een steen naar beneden gegooid en dat zal ook nooit gebeuren. Echter: riskante voorspelling 1) de effecten die zwarte gaten volgens de modellen op licht zouden moeten hebben, zijn massaal waargenomen (bijvoorbeeld in gravitatielenzen). En riskante voorspelling 2) de effecten die ze hebben op lichamen die eromheen cirkelen zijn waargenomen. En riskante voorspelling 3) de eerste foto’s zijn genomen en de lichtverdeling daarop lijkt behoorlijk op wat de modellen voorspelden. Is dat sluitend bewijs? Nee. Bewijs bestaat er Popperiaans niet. Maar wat met de aanname van hun bestaan werd voorspeld, wordt waargenomen. De modellen functioneren tot op dit moment netjes.
Bestaan zwarte gaten dus? Ah, {ironie aan} geef me even een definitie van ‘bestaan’ {ironie uit}: ze verklaren waarnemingen. Daarnaast: elke speculatie voor alternatieve verklaringen is van harte welkom en veel nieuwsgierige jonge honden zijn op zoek naar de grenzen van de geldigheid van de huidige theorieën. Iedereen is benieuwd naar de komende ontwikkelingen.
Merkwaardig genoeg vindt Counet het nodig om in dit boek een alternatief voor te dragen voor zwarte gaten, terwijl zij niet het onderwerp van zijn boek zijn en waarachtig niet zijn sterkste argument. Zijn alternatief is de annihilatietheorie (pg 223). Ik ga daar niet op in, maar de veronderstelling dat er een alternatief is waar niemand serieus naar gekeken heeft en dat er een soort consensus bestaat om die te negeren (complottheorietje!) is voor het boek geen aanbeveling. Want eerlijk is eerlijk: wetenschappers zijn dol op alternatieve verklaringen, op concurrerende modellen, op het vinden van metingen die niet verklaard kunnen worden, op het aandragen van suggesties die niet binnen de gebaande paden vallen. Ze weten heel goed dat juist daar de vooruitgang ligt, dat daar de opvallende artikelen over kunnen worden geschreven, dat daar financiering gevonden kan worden, en dat uiteindelijk daar Nobelprijzen gewonnen worden.
Concurrentie tussen theorieën past binnen een soort evolutietheorie: de sterkste overleven, totdat ze een sterkere tegenkomen. Bij de eerste tegenvallers zullen wetenschappers oplossingen binnen een model zoeken, en (min of meer? soms? vaak?) ook vinden. Als de toetsingen aan metingen te grote problemen opleveren, komen er nieuwe aanpakken en als het nodig is, paradigmaverschuivingen.
Een reflectiemomentje zou hier wel nuttig zijn geweest: de door de auteur aangedragen annihilatietheorie leidt onder precies dezelfde tekortkomingen die hij aan bijvoorbeeld de zwarte gaten toeschrijft. Zo is de ontaarde materie die bij hem een centrale rol speelt net zomin ‘gezien’ als zwarte gaten. Het is een absurde theorie – en dat is dus geen diskwalificatie. Laat de theorie zichzelf maar bewijzen door gedane waarnemingen te verklaren en vervolgens te komen met riskante toetsbare voorspellingen … Het zou geweldig worden gevonden! De ontwikkeling staat nooit stil en elk uitdagend en toetsbaar alternatief is welkom.
Mijn conclusie
Counet beschrijft uit zijn schooltijd de situatie waarin hij als puber een docent tot wanhoop dreef door lullige vraagstelling (overigens: dat is geen kunst, iedereen kan dat). Diezelfde aanpak leidt tot een boek dat 1) door het negeren van het instrumentele karakter van natuurwetenschappen eenzijdig is, 2) door zijn vooringenomen standpunten en de daaruit volgende eenzijdige presentatie van de gedachten van zijn opponenten zelfgenoegzaam is, en 3) door zijn toon van betweterige theoloog ook nog irritant is. Het kostte mij grote moeite om het te blijven lezen, zelfs al ben ik het inhoudelijk eigenlijk met hem eens.
Ik heb na lezing van het boek nog steeds geen idee wat de doelgroep van dit boek is en waarvan hij die doelgroep wil overtuigen. Welke optie ik daarbij ook verzin, mijn inschatting is: kansloos.
‘Het absurde universum’ van Patrick Chatelion Counet (theoloog en wetenschapsfilosoof).
2024, Uitg: Kok-Boekencentrum. ISBN: 978904354097 – 448 pgs

uitstekende bespreking. Ik lees dit boek omdat het me gegeven werd en ik vind dat ik er tenminste kennis van moet nemen. Maar ik erger me om meerdere redenen, grotendeels ook terug te vinden in uw recensie. De schrijver bewijst wat mij betreft vooral dat theologie en wetenschap niets met elkaar van doen hebben
LikeGeliked door 1 persoon
Prima bespreking, inhoudelijk dan. Wel erg slordig geschreven. Dat stoort niet enkel het leesgenot, maar komt ook de boodschap niet ten goede. Zeker als het in de eerste zin al misgaat: QUOTE: “Nog nooit heb ik zoiets meegemaakt: dit is een boek waar ik het met de conclusies eigenlijk wel eens ben, maar wat ik tegelijk zo irritant ingestoken vind dat ik zou willen dat ik het er niet mee eens was.” Ik vermoed dat u wilde schrijven: ‘dit is een boek waarvan geldt dat ik het met de conlusies wel eens ben, maar dat ik zo irritant ineengestoken vind, dat ik zou willen dat ik het er niet mee eens was.”
LikeLike