Volgens mij begint het verhaal bij de diep menselijk behoefte om onze eigen wereld te begrijpen en te beheersen.
Onze basisbehoeften
De meest fundamentele drijfveer van de mens is om te voorzien in basisbehoeften: eten en drinken, gezondheid, veiligheid, voortplanting. Onderdeel van het vervullen van die behoeften is het bevredigen van onze nieuwsgierigheid: voor ons voortbestaan is het nodig dat we leren hoe de dingen in elkaar zitten, dat we greep krijgen op onze omgeving en ons bestaan.
Mensen hebben daarbij een dominante intuïtieve methodiek: we onthouden wat in een concrete situatie wel eens heeft gewerkt (of: wat lijkt te hebben gewerkt). Daaruit leiden we dan zoveel mogelijk algemene regels af, die we kunnen gebruiken voor ons toekomstige gedrag.
Voorbeelden? Je had hoofdpijn hebt en je wreef op je slaap met die ene plant en de hoofdpijn nam af. De pijn in je knie was gisteren minder en je had een zwarte steen in je broekzak. De keer dat je jouw voetbalteam won, had je die rode sokken aan. Toen het in een gesprek met iemand klikte, bleek die geboren in september. Toen je een klein prijsje in de loterij won, eindigde het lot op een zes. Voor de wiskundetoets waar je onverwacht een kleine voldoende voor kreeg, had een kruisje geslagen. Je zat in het bos en je hoorde het ruisen van de bladeren en het leek alsof er een stem sprak, en toen je thuis kwam reageerde je ineens goed op je geïrriteerde partner. Je keek in je beker met theebladeren, kreeg plotseling een idee wat er morgen zou gaan gebeuren en het gebeurde ook nog! Er vloog een duif op en direct daarna keek een leuke jongen lachend jouw kant op. Je richtte je aandacht gericht op het verkeerslicht en onmiddellijk sprong het op groen.
De menselijke valkuil is dat we geprogrammeerd zijn om toevalligheden verkeerd te interpreteren. Correlatie wordt causaliteit, incidentele werking wordt een methode, behoefte aan regie leidt tot zekerheden. Evolutionair is dat logisch: we kunnen beter iets herhalen wat niet werkt (dat kan immers geen kwaad) dan een keer iets missen wat wél werkt. Ook onze afkeer van onzekerheid is nuttig: alles wat we niet begrijpen, is gevaarlijk en elk klein wapentje in de strijd om te overleven is welkom.
Van intuïtie naar institutie naar instrument
Soms stuiten we langs de intuïtieve aanpak op werkelijk werkende verbanden. We hebben werkende kruiden ontdekt, we hebben proefondervindelijk procedures gevonden om de kans op ziekte kleiner te maken – zelfs als we het mechanisme erachter niet begrijpen, kan het werken. In andere gevallen leidt onze ingebakken behoefte aan structureren tot gewoonten die niet productief zijn: regendansen, astrologie, genezende stenen, en heel veel andere dingen. De grenzen zijn niet altijd scherp: de natuurwetenschapper Isaac Newton formuleerde niet alleen de wet van de zwaartekracht, maar zocht óók de steen der wijzen.
In de behoefte om de werkelijkheid te structureren en te beheersen, is het ontstaan van een religieuze stand en dogmatiek volgens mij onvermijdelijk. Naarmate we meer leren, worden systemen ingewikkelder. Er is veel kennis nodig en daar spelen deskundigen een rol in. Zij kunnen bijhouden welke regels er zijn, zij weten hoe het geleerde moet worden toegepast. Ik zie dat overal gebeuren: of het nu druïdenordes zijn, priesterkasten, gilden. Of medisch specialisten, consultants, coaches en influencers. Deskundigheid werkt!
Bij die deskundigen horen gewoonten en standaardaanpakken. Variërend van ‘zo doen we dat nu eenmaal’ tot ‘dit is de bewezen aanpak’. Ervaringen en inzichten worden vastgelegd in verhalen of in voorschriften, want ‘dat is de leer’. Er ontstaan opleidingen, cursussen, introducties en inwijdingen. Er worden officials aangesteld om de verdiensten van het systeem vast te leggen en te verdedigen. Mensen raken overtuigd, ze gaan in de leer bij deskundigen en worden volgelingen. De officials krijgen gezag en onontkoombaar gaat dat samen met macht. Natuurlijk lopen de belangen van volgelingen en officials parallel, maar net als alle organisaties krijgt ook de (formele of informele) instelling eigen belangen. Eén daarvan is het verkondigen of verdedigen van de eigen overtuigingen. Oftewel: het in stand houden van de eigen macht.
Voor slimme/ machtsbeluste/ onethische bestuurders is bovendien elke organisatie instrument voor het dienen van persoonlijke doelstellingen. Instituties worden instrument – los van de vraag of de gebruikers van macht nog enige affiniteit hebben met de inhoud krijgen zij de beschikking over middelen om volgelingen te manipuleren of in te zetten.
De trein van de geschiedenis loopt steeds over dezelfde sporen.
Religie en ideologie
Vanzelfsprekend geldt het bovenstaande niet voor de levensovertuiging die ik zelf aanhang. Toch?
Volgens mij geldt het bovenstaande voor ieder mens, voor iedere mensengemeenschap, voor iedere ideologie. Het bestaan van bovennatuurlijke entiteiten kan een onderdeel zijn van de modellen voor de werkelijkheid, maar het is daarvoor niet noodzakelijk – ook zonder ‘god’ of goden zijn we onderworpen aan de fundamentele menselijke processen.
Institutionele religies zijn wel de meest duidelijke illustratie. Verhalen rond het ontstaan van de wereld en mensen, verhalen over zingeving. Formalisering in leerstellingen en het ontstaan van formele of informele organisaties. Het ontstaan van religieus gezag en daarmee even vanzelfsprekend als afschuwelijk het misbruik ervan. Het vindt plaats in alle religies. In de godsdiensten met hun goden met eindeloos gevarieerde eigenschappen, maar ook in de godloze religies, zowel oude als moderne (bv scientology).
Het model geldt ook voor maatschappelijke ideologieën (denk aan communisme, kapitalisme, en m.i. alle anderen) en levensovertuigingen (denk aan vegetarisme of juist carnisme, fitness, en gebruik zelf verder uw eigen fantasie). Ontstaan uit de behoefte om te verklaren en te structureren en in zekere mate controle te krijgen. Vormgegeven met correlaties en al dan niet bewezen causaliteit. Formalisering met het ontstaan van leerstellingen en een kaste van deskundigen. Er zijn soms weldadige gevolgen voor aanhangers en niet-volgelingen die ervan afhankelijk zijn, maar even vaak zien we de onontkoombare machtsconcentratie waarbij ideologische belangen leiden tot manipulatie en misbruik en meedogenloosheid.
Fantastische verhalen
Het menselijk vermogen om in onze werkelijkheid systemen te bouwen is volgens mij grenzenloos, en daarmee ontstaat een even eindeloze bewegingsruimte voor fantastische literatuur.
Elk verhaal heeft een interne werkelijkheid en elk aansprekend verhaal doet een beroep op menselijke behoeften. Dat geldt ook voor fantasy en sciencefiction. Het wereldbeeld kan uiteraard afwijken van ons eigen, westerse, post-verlichting natuurwetenschappelijke wereldmodel – net zoals onze eigen verklarende systemen verschillen – maar het moet er wel zijn. Immers, zodra een invoelbare interne structuur ontbreekt, wordt een verhaal onnavolgbaar. Zelfs absurdistische verhalen doen hier een beroep op: zij geven weliswaar zelf niet aan wat de causaliteit is, maar kietelen wél onze onbewuste behoefte dat die er moet zijn.
De fantasie van onze fantastische auteurs kan dus zijn gang gaan: variërend van magisch tot strikt logisch tot onnavolgbaar intuïtief tot aansluitend bij wetenschappelijke of andere maatschappelijke causaliteiten. Lezers hebben wél behoefte aan een consequent systeem van causaliteit: willekeur werkt niet, want het is strijdig met de in de mens ingebouwde behoefte aan samenhang. Zolang de wereldbouw intern consequent is, zijn lezers bereid alles te accepteren. De verteller is de priester, de woorden bouwen de wereld, het verhaal wordt de werkelijkheid.
Sciencefiction en wetenschap
Wat mij persoonlijk aanspreekt in sciencefiction is het aanleunen tegen de natuurwetenschappelijke methode: een systeem om het verschil tussen correlatie en causaliteit systematisch te borgen. Daarbij wil sciencefiction gebruik maken van causaliteit die in onze eigen werkelijkheid bestaat of daar dicht tegenaan leunt.
Centraal in de natuurwetenschappelijke aanpak staat het zoeken naar mechanismen die verbanden leggen tussen verschijnselen (‘natuurwetten’) en het onderwerpen van die verbanden aan de eisen van meetbaarheid, toetsbaarheid, falsificeerbaarheid, reproduceerbaarheid. Het gaat niet om vertrouwen in de ‘natuurwetenschappelijke priester’, maar om het kritisch bevragen van verbanden, het aandragen van toetsbare alternatieven, het doen van falsificeerbare voorspellingen, en het uitvoeren van objectief toetsende metingen.
Gelukkig voor ‘harde’ sciencefiction-auteurs waaronder ik mezelf reken, is ook de toetsbare werkelijkheid niet eindeloos objectief. Juist in de extreme vormen van kwantummechanica, kosmologie en elementaire deeltjesfysica worden klassieke opvattingen over causaliteit steeds moeilijker toepasbaar – denk aan de steeds ingewikkelder rol van de waarnemer in het vaststellen van de uitkomsten van experimenten. Het betekent (voorlopig?) dat auteurs niet alleen een beroep kunnen doen op dingen die nog uitgevonden moeten gaan worden, maar dat er ook een fundamentele ruimte lijkt te zijn in het ‘onkenbare’ – waarmee sciencefiction ineens trekken lijkt te krijgen die voorbehouden waren aan fantasy.
De val van de wetenschap?
De homo universalis – het romantische idee van de wetenschapper die alle velden van kennis kan overzien – bestaat niet meer: alle velden van deskundigheid zijn zó ver gespecialiseerd, dat tóch ‘vertrouwen’ weer om de hoek komt kijken. Voor een niet-ingevoerde lezer zijn wetenschappelijke claims (bijna?) niet meer te controleren.
Tegelijk blijken wetenschappers helaas gevoelig voor druk vanuit belangengroepen (bijvoorbeeld financiers van onderzoek), voor ‘gewone’ menselijke zwakten (zoeken naar bevestiging in plaats van falsifiëring), voor ideologische vooroordelen (onderzoek doen met conclusies waar de maatschappij om vraagt). Individuele wetenschappers en soms ook hele instituten hebben zo hun integriteit te grabbel gegooid. Sommige (vooral niet-natuurwetenschappelijke?) velden van ‘wetenschap’ krijgen daarbij trekken die meer passen bij ‘religieuze’ instellingen.
Het gevolg? Ik ben bang dat voor niet in natuurwetenschappelijke methoden ingevoerde medemensen het onderscheid tussen échte wetenschap en religie verdwijnt. Dat onbetrouwbare en ideologisch gedreven wetenschappers er onontkoombaar toe leiden dat het verschil tussen science en religie vervaagt. Dat échte, integere wetenschappers onderworpen worden aan hetzelfde wantrouwen dat maatschappelijk thuishoort bij de officials van religies en ideologieën. Dat daarmee aanhangers van met échte wetenschap strijdige ideologieën (zoals ‘klimaatontkenners’ – wat een idioot woord!) de mogelijkheid krijgen om de zekere bedreigingen voor onze wereld te ontkennen.
Rijdt ook deze trein over dezelfde historische sporen? Ik ben bang van wel – ah, hier liggen thema’s voor sciencefictionverhalen. Is het toeval dat dystopieën meer voor de hand liggen dan utopieën?
Een conclusie?
Ah, in mijn opzet had ik hier ruimte vrijgehouden voor een mooie conclusie en een visie op de toekomst. Maar weet u wat? Ik zie daarvan af, ik verlaat mijn voornemen om (nog meer?) ideologische uitspraken te doen, en laat het bovenstaande gewoon zijn wat het is: losse gedachten over onze wereld.
PS Ik heb zelf wél een levensovertuiging: ik ben geen nihilist (en zélfs dat is een overtuiging die aan de kenmerken voldoet), maar wil Jezus Christus volgen. Wie daar interesse voor heeft, kan via een ander kanaal dan dit essay wel contact met me vinden.

